Axillairy reverse mapping bij borstkankerpatiënten met positieve klieren

Borstkankerpatiënten met klinisch positieve lymfeklieren in de oksel die voorafgaand aan axillaire lymfeklierdissectie eerst (neo)adjuvante chemotherapie ondergaan, hebben significant minder kans op metastasen in de zogenaamde ARM-lymfeklieren dan patiënten die géén (neo)adjuvante chemotherapie kregen. Volgens M. Beek (Amphia Ziekenhuis) en collega’s zijn er aanvullende studies nodig om aan vast te stellen of deze patiënten geschikt zijn voor het selectief sparen van deze lymfeklieren door middel van ‘axillairy reverse mapping’. 

Doel onderzoek
Axillairy reverse mapping (ARM) is een techniek, waarbij de lymfeklieren en lymfestelsel in de arm worden gespaard tijdens axillaire lymfeklierdissectie (ALND) bij patiënten met borstkanker. In deze studie is de metastatische betrokkenheid van ARM-klieren prospectief geëvalueerd in patiënten die een ALND voor klinisch positieve lymfeklieren hadden na (neo)adjuvante chemotherapie in vergelijking met patiënten bij wie de primaire ALND werd uitgevoerd zonder (neo)adjuvante chemotherapie. 

Patiënten en methoden
In deze studie werden patiënten met invasieve borstkanker en klinisch positieve lymfeklieren diagnose (bevestigd doormiddel van een cytologische punctie) geïncludeerd, die in aanmerking kwamen voor primaire ALND. De patiënten werden verdeeld in twee groepen: een groep die behandeld werd met (neo)adjuvante chemotherapie (NAC+ groep) en een groep zonder (neo)adjuvante chemotherapie (NAC- groep). De ARM werd uitgevoerd bij alle patiënten door het injecteren van blauwe kleurstof in de ipsilaterale bovenste extremiteit. Tijdens ALND werden ARM-lymfeklieren eerst geïdentificeerd en onderzocht, gevolgd door een standaard ALND. 

In de NAC+groep werden 91 patiënten opgenomen en in de NAC-groep 21 patiënten. Er was geen verschil in de visualisatie van de ARM lymfeklieren tussen beide groepen (86,8% voor NAC+groep versus 90,5% voor de NAC-groep, P = 0,647). In de NAC+groep had 16,5% van de patiënten metastasen in de ARM-lymfeklieren versus 36,8% in de NAC-groep (P = 0,048). 

Aanvullende studies nodig
M. Beek en collega's concluderen dat bij patiënten met borstkanker én positieve lymfeklieren de incidentie van metastasen in de ARM-lymfeklieren significant lager was wanneer deze patiënten voorafgaand aan axillaire lymfeklierdissectie (ALND) eerst (neo)adjuvante chemotherapie ontvingen. Er zijn aanvullende studies nodig om voldoende bewijs te verzamelen dat deze patiënten geschikte kandidaten zijn voor het volgen van de ARM-procedure en het selectief sparen van deze specifieke lymfeklieren. 

Gerelateerd

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder

Toename radiotherapie bij patiënten in Nederland na een mastectomie

Het gebruik van radiotherapie bij patiënten met borstkanker is in Nederland tussen 2011 en 2015 toegenomen van 64% naar 70%. Deze stijging hangt voornamelijk samen met een toename van het aantal patiënten dat wordt bestraald na een mastectomie, concluderen Kay Schreuder (IKNL, Universiteit Twente, NABON) en collega’s. Wanneer naar de toepassing van radiotherapeutische behandelingen wordt gekeken, dan blijkt dat na een borstsparende operatie bijna alle patiënten (97,3%) radiotherapie krijgen tegenover iets meer dan een kwart (26,1%) na een mastectomie. Bij zowel borstsparende chirurgie als mastectomie hangt een lagere leeftijd en diagnose van een ER+-tumor samen met een hogere inzet van radiotherapie.

lees verder