Implementatie zorgpad leidt tot betere zorg patiënten met borstkanker

Implementatie van een multidisciplinair zorgpad voor borstkanker leidt tot betere naleving van de nationale richtlijnen en kan bijdragen aan het verbeteren van de zorg voor deze patiënten. Zo werden significante verbeteringen gezien in het aantal HER2/neu-bepalingen. Ook nam het aantal schildwachtklierprocedures toe. Het verminderen van het gelijktijdig inzetten van radiotherapie en chemotherapie, een van de beoogde doelen van het zorgpad, werd eveneens behaald. Dat blijkt uit een studie van Jolanda van Hoeve (IKNL) in samenwerking met collega's van UMC Groningen, Universiteit Groningen en Universiteit Twente.
Binnen de oncologische zorg worden vaker systematische benaderingen toegepast, waaronder zorgpaden, om onder andere de variatie in geboden zorg, wachttijden en doorlooptijden te verminderen en de zorgkwaliteit te verbeteren. Het doel van deze studie was om te bepalen of de invoering van een multidisciplinair borstkankertraject in drie ziekenhuizen heeft bijgedragen aan verbetering van de zorg voor patiënten met borstkanker.

Kwaliteitsindicatoren
Retrospectief werden bijna 800 patiënten met borstkanker geselecteerd in de databank van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De patiënten werden verdeeld in twee groepen: vóór de invoering van het zorgpad voor borstkanker in 2006 - 2007 (nulmeting) en na de implementatie in 2009.

De onderzoekers vergeleken veertien kwaliteitsindicatoren voor en na de implementatie van dit zorgpad. Om de impact van het zorgpad in te schatten ten opzichte van de ‘evidence based' richtlijnen en normen van het Nationaal Borstkanker Overleg Nederland (NABON), werden de betrokken projectleiders geïnterviewd.

Medische informatie 
Uit de resultaten blijkt dat zeven van de acht indicatoren met medische informatie zijn verbeterd. Dit is toe te schrijven aan invoering van een multidisciplinair overleg als centrale sleutel in de borstkankerzorg. Dit leidde tot betere naleving van nationale richtlijnen. Zo werden significant meer patiënten een HER2/neu-test aangeboden. Sinds de invoering van het zorgpad steeg het percentage van 92 tot 96 procent, p = 0.016. Dat is opmerkelijk, want deze score was reeds hoog.

Ook werden er meer schildwachtprocedures uitgevoerd. Mede daardoor werd minder overgegaan tot het verwijderen van lymfeklieren (positief resultaat). Het aantal borstkankeroperaties per jaar per chirurg nam toe. Verder kregen patiënten iets vaker een adjuvante behandeling aangeboden.

Het gelijktijdig inzetten van radiotherapie en chemotherapie nam daarentegen af. Deze uitkomst was niet alleen significant, maar is ook bijzonder te noemen, omdat het voorkomen van deze gecombineerde behandeling een van de expliciete doelen was voor het introduceren van het zorgpad. Verder daalde het aantal heroperaties (tweede of derde operaties). 

Doorlooptijden
Ten aanzien van wacht- en doorlooptijden signaleerden de onderzoekers verbeteringen in vier van de vijf indicatoren. Het ging hierbij om kortere doorlooptijden tussen eerste bezoek van de patiënt aan polikliniek en definitieve PA-uitslag en eerste bezoek aan polikliniek en eerste operatie.

Ook begonnen meer patiënten binnen 4 weken na operatie met hun eerste chemotherapie (van 33 naar 45 procent) of met de eerste bestraling (van 55 naar 59 procent). De vijfde indicator, tijd tussen definitieve PA-uitslag en eerste operatie (inclusief directe borstreconstructie) verbeterde niet. Uit de nameting blijkt echter dat overall wel de NABON-norm van 90 procent is gehaald.

Conclusie
Jolanda van Hoeve en collega's concluderen dat implementatie van een multidisciplinair zorgpad voor borstkanker heeft geleid tot een betere naleving van de nationale richtlijnen en kan bijdragen aan het verbeteren van de zorg voor patiënten met borstkanker.

Gerelateerd

Grote verschillen in uitzaaiingspatronen stadium IV inflammatoire borstkanker

Bij patiënten met stadium IV inflammatoire borstkanker worden belangrijke verschillen waargenomen in uitzaaiingspatronen en algehele overleving samenhangend met de verschillende subtypen (HR/HER2-status) van deze ziekte. Dat concluderen Dominique van Uden (Radboudumc) en collega’s in een publicatie in Breast Cancer Research and Treatment. Volgens de onderzoekers heeft dit inzicht belangrijke consequenties voor het adviseren van patiënten over hun prognose en eventuele behandelopties. De studie onderstreept tevens de mogelijkheid tot gerichtere stadiëring afgestemd op het subtype.

lees verder

Hoger risico op recidief bij 75-79 jarigen met niet-gemetastaseerde borstkanker

Vrouwen van 75-79 jaar met niet-gemetastaseerde borstkanker lopen meer risico op afstandsrecidieven in vergelijking met lotgenoten van 70-74 jaar, ondanks het hogere risico op sterfte door andere oorzaken dan borstkanker in deze oudere groep. Dat concluderen Anna de Boer (LUMC) en collega’s op basis van een studie met gegevens van bijna 18.500 patiënten. Volgens de onderzoekers kunnen deze resultaten duiden op onderbehandeling in de oudste groep. De studie toont echter ook aan dat de kans op overlijden zónder recidief sterk toeneemt op hogere leeftijd en dat bij patiënten met een hoog risico op overlijden door andere oorzaken dan borstkanker snel sprake is van overbehandeling.

lees verder