Minder kans borstsparende operatie bij invasieve lobulaire borstkanker

Het aantal borstsparende operaties bij patiënten met invasieve ductale borstkanker of invasieve lobulaire borstkanker is in Nederland tussen 1990 en 2010 gestegen. Deze toename is minder duidelijk bij patiënten met een invasieve lobulaire tumor. Het gevolg is dat deze vrouwen meer kans hebben op een mastectomie in vergelijking met patiënten met invasief ductaal mammacarcinoom. Dat blijkt uit een studie van drs. W. Truin (chirurg in opleiding, Máxima Medisch Centrum) en collega’s onder bijna 153.000 patiënten met borstkanker.

Doel studie
Het doel van deze studie was om een vergelijking te maken tussen de frequentie van borstsparende operaties bij patiënten met een vroeg stadium van invasieve ductale borstkanker en invasief lobulair borstkanker. De studie werd uitgevoerd aan de hand van gegevens van vrouwen met primaire, niet-uitgezaaide pT1 (0-2 cm) en pT2 (2-5 cm) ductale borstkanker of lobulaire borstkanker gediagnosticeerd tussen 1990 en 2010. De gebruikte data werden geselecteerd uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). 

Borstsparend of mastectomie
Alle patiënten ondergingen borstsparende chirurgie of primaire mastectomie zonder neo-adjuvante behandeling. De verhoudingen van deze behandelingen werden per jaar berekend. Logistische regressieanalyses werden uitgevoerd om het effect van histologie te bepalen op de kans om borstsparende chirurgie te ondergaan, waarbij werd gecorrigeerd voor periode van diagnose, leeftijd, klierstatus en tumorgrootte. 

In totaal ondergingen 152.574 patiënten met borstkanker een operatie in de periode tussen 1990 en 2010. Van deze patiënten had 89% borstkanker van het ductale type en 11% lobulaire borstkanker. In de groep patiënten met  ductale borstkanker met stadium pT1 en pT2 onderging 54% een borstsparende operatie tegenover 43% van de patiënten met lobulaire borstkanker (p < 0,0001). 

Toename borstsparende chirurgie
Het percentage patiënten met ductale borstkanker dat borstsparende chirurgie onderging, steeg van 46% in 1990 naar 62% in 2010. Het percentage borstsparende operaties onder patiënten met lobulaire borstkanker steeg van 39% in 1990 naar 48% in 2010. De logistische regressieanalyse toonde dat patiënten met lobulaire borstkanker minder kans hadden op het ondergaan van borstsparende chirurgie in vergelijking met patiënten met ductale borstkanker (odds ratio 0,69; 95% betrouwbaarheidsinterval 0,66-0,71). 

W. Truin en collega's concluderen dat tussen 1990 en 2010 in Nederland de kans op borstsparende chirurgie zowel voor patiënten met ductale als voor patiënten met lobulaire borstkanker is gestegen. Deze toename  is echter minder groot bij patiënten met lobulaire borstkanker. Deze patiënten hebben een hogere kans op het ondergaan van mastectomie in vergelijking met patiënten met ductale borstkanker.

Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl

Gerelateerd

Betere overleving na chirurgie stadium IV primaire, inflammatoire borstkanker

Betere overleving na chirurgie stadium IV primaire, inflammatoire borstkanker

Chirurgie van de borsttumor bij primaire stadium IV inflammatoire borstkanker hangt samen met een verbeterde algehele overleving en zou dus onderdeel kunnen zijn van de behandelstrategie bij deze patiënten. Dat concluderen Dominique van Uden (Rijnstate Ziekenhuis, Arnhem) en collega’s. Het onderliggende mechanisme van dit effect is vooralsnog niet bekend. Ook zijn er nog allerlei onbeantwoorde vragen, zoals de kans op complicaties na chirurgie en de kwaliteit van leven van patiënten na of zonder chirurgie.

lees verder

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder