Studie naar echografie en lymfeklierbiopsie bij invasieve borstkanker

Patiënten met borstkanker bij wie positieve okselklieren zijn gevonden na een echografie, hebben ongunstigere ziektekenmerken en een slechtere prognose dan patiënten bij wie positieve okselklieren worden aangetroffen na een schildwachtklierprocedure. Het achterwege laten van lymfeklierdissectie dient daarom volgens Nicole C. Verheuvel (Máxima Medisch Centrum) en collega’s vooralsnog alleen toegepast te worden bij patiënten met een positieve schildwachtklierprocedure.

Het vaststellen van de okselstatus bij invasieve borstkanker door middel van een schildwachtklierbiopsie (SLNB) of echogeleide lymfklierbiopsie is een belangrijke prognostische indicator. In de ‘ACOSOG Z0011 trial' bleek dat okselklierdissectie mogelijk achterwege kan blijven in geselecteerde patiënten met positieve lymfeklieren. Dat roept vragen op over de toepasbaarheid van deze conclusies op patiënten bij wie positieve okselklieren zijn vastgesteld op basis van echografisch onderzoek. 

Patiënten met invasieve borstkanker
Het doel van deze studie was om mogelijke verschillen in de patiënt- en tumorkenmerken en overleving te evalueren tussen patiënten met een positieve okselklier na echografie (ultrasound; US-groep) of na een schildwachtklierprocedure (SN-groep). De studie werd uitgevoerd met behulp van gegevens van patiënten gediagnosticeerd met invasieve borstkanker in het Máxima Medisch Centrum in Veldhoven tussen januari 2006 en december 2011. In totaal werden 302 patiënten met een positieve lymfeklier geïncludeerd: 139 in de US-groep respectievelijk 163 in de SN-groep. 

Patiënten in de US-groep waren ouder bij diagnose (p <0,001), hadden vaker palpabele lymfeklieren (p <0,001), ondergingen vaker mastectomie (p <0.001), hadden grotere tumoren (p <0.001), vaker lymfovasculaire invasie (p = 0.035), een positieve Her2Neu status (p = 0,006) en een negatieve hormonale receptorstatus (p = 0.003). Ook was de kans groter dat deze patiënten meer lymfeklieren hadden met macrometastases (p <0.001), tumoruitbreiding buiten de lymfeklieren (p <0,001) en aantasting van lymfeklieren hoog in de oksel, zogeheten level III (p <0,001). Tot slot vertoonden deze patiënten een slechtere ziektevrije overleving [hazard ratio (HR) = 2,71; 95% betrouwbaarheidsinterval (CI) = 1,49-4,92] en slechtere, totale overleving (HR = 2.67; 95% CI = 1,48-4,84) dan patiënten in de SN-groep.

Weglaten lymfeklierdissectie
Volgens Nicole C. Verheuvel en collega's laten deze resultaten zien dat US-positieve patiënten minder gunstige ziektekenmerken en een slechtere prognose hebben dan SN-positieve patiënten. Op basis van deze bevinding concluderen de onderzoekers dat het achterwege laten van lymfeklierdissectie (axillary lymph node dissection; ALND) vooralsnog alleen gerechtvaardigd is bij patiënten met een positieve schildwachtklierprocedure zoals geconcludeerd in de ACOSOG Z0011 trial.

Gerelateerd

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder

Toename radiotherapie bij patiënten in Nederland na een mastectomie

Het gebruik van radiotherapie bij patiënten met borstkanker is in Nederland tussen 2011 en 2015 toegenomen van 64% naar 70%. Deze stijging hangt voornamelijk samen met een toename van het aantal patiënten dat wordt bestraald na een mastectomie, concluderen Kay Schreuder (IKNL, Universiteit Twente, NABON) en collega’s. Wanneer naar de toepassing van radiotherapeutische behandelingen wordt gekeken, dan blijkt dat na een borstsparende operatie bijna alle patiënten (97,3%) radiotherapie krijgen tegenover iets meer dan een kwart (26,1%) na een mastectomie. Bij zowel borstsparende chirurgie als mastectomie hangt een lagere leeftijd en diagnose van een ER+-tumor samen met een hogere inzet van radiotherapie.

lees verder