Toename inzet chemotherapie leidt tot betere overleving stadium IV NSCLC

De overleving van patiënten met stadium IV niet-kleincellige longcarcinoom (NSCLC) is in de periode 2001 – 2012 met 3 weken verbeterd door frequentere toepassing van chemotherapie. Dat blijkt uit een studie door Mieke Aarts (IKNL) en collega’s aan de hand van data van de kankerregistratie. Uit dit onderzoek komt tevens naar voren dat de toediening van chemotherapie mede wordt beïnvloed door het ziekenhuis waar de diagnose plaatsvond en specifieke patiënt- en tumorkenmerken. Om die reden moet het identificeren van patiënten die baat hebben bij chemotherapie een nog belangrijker aandachtspunt worden, stellen de onderzoekers in International Journal of Cancer.

Het doel van deze studie was te onderzoeken welke factoren geassocieerd zijn met de toediening van chemotherapie aan patiënten met stadium IV niet-kleincellige longcarcinoom (NSCLC) en de relatie met overleving in dagelijkse praktijk. Geïncludeerd werden alle patiënten met NSCLC stadium IV die tussen 2001 en 2012 zijn gediagnosticeerd (n = 5.428). Deze data waren afkomstig van de kankerregistratie in de voormalige IKZ-regio (thans IKNL, locatie Eindhoven). Het gebruik van chemotherapie en de overleving van deze patiënten werden geëvalueerd met behulp van logistische respectievelijk Cox regressie analyse.

Aandeel chemotherapie
Het aandeel patiënten dat chemotherapie kreeg toegediend, steeg van 30 procent in 2001 naar 48 procent in 2012. Hogere percentages chemotherapie werden gevonden bij jongere patiënten en bij patiënten met een hoge sociaal-economische status. Ook bij patiënten zonder comorbiditeit, bij patiënten die in recentere jaren werden gediagnosticeerd en bij patiënten met adenocarcinoom werd vaker chemotherapie toegepast.

De aanwezigheid van levermetastasen was geassocieerd met verminderde kansen op chemotherapie. De variatie tussen ziekenhuizen was groot, met odds ratios oplopend tot 2.0 (95% BI 1,5-2,6) ten opzichte van het referentieziekenhuis. De mediane overleving van de patiënten steeg van 18 weken tussen 2001-2003 tot 21 weken in de periode 2010-2012 (log-rank p = 0.007) en bedroeg 35 weken bij patiënten met chemotherapie ten opzichte van 10 weken bij patiënten zonder chemotherapie.

Kleine overlevingswinst door chemo
Het multivariabele risico op overlijden verminderde aanzienlijk in de tijd. Na correctie voor chemotherapie verdween dit verschil. Dit toont aan dat de overleving is verbeterd door de chemotherapie. Alleen voor de periode 2004 - 2006 bleef het risico op overlijden significant hoger na aanvullende correctie voor chemotherapie. De onderzoekers vermoeden dat dit verhoogde risico samenhangt met de invoering van de eerste evidence-based richtlijn voor NSCLC in 2004.

In die richtlijn werd geadviseerd om chemotherapie te gebruiken bij patiënten met stadium IV en performance status 0-2. Mogelijk kregen als gevolg daarvan ook patiënten met een relatief slechte performance status chemotherapie, waardoor de overlevingskansen afnamen in zowel de groep die chemotherapie ontving (met relatief onfitte patiënten) als in groep die geen chemotherapie kreeg (minst fitte patiënten). In de daarop volgende perioden werden patiënten waarschijnlijk beter geselecteerd, waardoor de overleving toenam.

Gunstige prognostische factoren
Andere factoren met een gunstige, prognostische invloed waren het krijgen van chemotherapie, vrouwelijk geslacht, middelmatige en hoge sociaal-economische status, overige histologie en de locatie van metastase(n) Het hebben van een onbekend aantal comorbiditeiten hing samen met ongunstige overleving ten opzichte van patiënten met twee of meer metastasen.

De auteurs hadden ook verwacht dat de overleving van stadium IV NSCLC was toegenomen. Naast een effect van bovengenoemde factoren en chemotherapie, heeft de introductie van betere diagnostiek (PET scan) tot eerdere detectie van kleine metastasische leasies geleid, waardoor meer tumoren als stadium IV werden beschouwd (stadiummigratie, 32% stadium IV in 2001 versus 51% in 2012). Deze patiënten hebben een relatief goede prognose, waardoor de overleving van de groep patiënten met stadium IV steeg over de tijd (Will-Rogers fenomeen).

Identificeren belangrijk aandachtspunt
Mieke Aarts en collega’s concluderen dat population-based overleving verbeterde ten gevolge van frequentere inzet van chemotherapie. De toediening van chemotherapie werd beïnvloed door het ziekenhuis waar de diagnose is gesteld, patiënteigenschappen en specifieke tumorkenmerken. Het identificeren van patiënten die baat hebben bij chemotherapie moet om deze redenen een nog belangrijker aandachtspunt worden.

  •  Mieke J. Aarts, Ben E. van den Borne, Bonne Biesma, Jeroen S. Kloover, Joachim G. Aerts en Valery E.P.P. Lemmens: ‘Improvement in population-based survival of stage IV NSCLC due to increased use of chemotherapy’.

Gerelateerd

Proefschrift over betere diagnostiek & behandeling LCNEC

Pathologen en (long)oncologen worden bij de diagnose en behandeling van patiënten met grootcellig neuro‐endocrien longcarcinoom (LCNEC), een zeldzame vorm van longkanker, geconfronteerd met allerlei problemen. Jules Derks beschrijft in zijn proefschrift mogelijkheden die kunnen bijdragen aan betere diagnostiek en behandeling van deze ziekte. Zo kunnen patiënten met bevestigd LCNEC mogelijk voordeel hebben bij gecombineerde chemotherapie met platinum‐gemcitabine of platinum‐taxaan, een regime dat tot dusver bij patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom werd ingezet.
 

lees verder

Effectiviteit chemotherapieschema’s verschilt bij longpatiënten met LCNEC

Patiënten met grootcellig neuro-endocrien longcarcinoom (LCNEC) die behandeld zijn met het chemotherapieschema NSCLC-t (vooral met de combinatie platinum-gemcitabine) hebben een langere, algemene overleving (mediaan 8,5 maanden) vergeleken met patiënten die behandeld zijn met platinum-pemetrexed (NSCLC-pt) of platinum-etoposide (SCLC-t). Dat blijkt uit het grootste onderzoek tot dusver uitgevoerd door Jules Derks (UMC Maastricht) en collega’s met data van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en het Nederlands Pathologieregister (PALGA). De onderzoekers adviseren de uitkomsten van de studie te laten bevestigen, bij voorkeur in een gerandomiseerde trial met patiënten met gevalideerd LCNEC. 

lees verder