Darmkanker in Nederland

Deze maand is het darmkankermaand. IKNL licht de cijfers uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) over incidentie, stadium en overleving van darmkanker in Nederland toe.

Incidentie
Darmkanker is een veelvoorkomende vorm van kanker in Nederland. Het staat wat betreft incidentie op de tweede plaats, na huidkanker (exclusief basaalcelcarcinoom). Darmkanker is een ziekte die voornamelijk ouderen treft; ongeveer 80% van alle patiënten is bij diagnose 60 jaar of ouder en bijna 40% 75 jaar of ouder. 
Darmkanker wordt gesplitst in dikkedarm- en endeldarmkanker. Ongeveer een derde van alle gevallen is gelokaliseerd in de endeldarm. Zowel voor dikkedarm- als voor endeldarmkanker is het aantal diagnoses hoger voor mannen dan voor vrouwen. In 2014 kregen in Nederland 8.400 mannen en 6.600 vrouwen darmkanker. In totaal steeg het aantal nieuwe gevallen van dikkedarmkanker van 4.600 in 1989 naar 10.500 in 2014 en het aantal nieuwe gevallen van endeldarmkanker van 2.600 naar 4.600 (figuur 1). Dit is in een stijging van 108% in 25 jaar.


Figuur 1: Absoluut aantal nieuwe gevallen van darmkanker in de periode 1989-2014, naar diagnosejaar, geslacht en lokalisatie

De toename in incidentie was het hoogst in 2014. In vergelijking met 2013 nam het aantal nieuwe gevallen toe met 1.600, een stijging van 12%. Dit heeft te maken met de introductie van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker. Daardoor worden meer gevallen opgespoord. Uiteindelijk krijgen alle mannen en vrouwen van 55 tot en met 75 jaar iedere twee jaar een uitnodiging om zich te laten testen. In 2014 is gestart met een gefaseerde invoering van het bevolkingsonderzoek waarbij vijf leeftijdsgroepen een uitnodiging kregen. De toename in het aantal nieuwe gevallen van darmkanker is voornamelijk aanwezig in deze specifieke leeftijdsgroepen (figuur 2).   

Figuur 2: Absoluut aantal nieuwe gevallen van darmkanker in 2013 en 2014 per geboortejaar

Stadium
Iets minder dan de helft van de patiënten wordt gediagnosticeerd in een relatief vroeg stadium, waarbij de kanker beperkt is tot de darm (stadium I of II). Bij de andere helft van de patiënten is er uitbreiding buiten de darm naar lymfeklieren rond de darm (stadium III) of naar andere organen (stadium IV). 
Een van de doelen van het bevolkingsonderzoek is om darmkanker in een vroeger stadium te ontdekken. Dit effect is terug te zien in de cijfers uit de NKR. Het aandeel patiënten met een vroeg stadium darmkanker (stadium I) nam toe van 18% in 2013 naar 23% in 2014 en het aandeel patiënten met een laat stadium (stadium IV) nam af van 24% naar 20%.

Overleving
De overlevingskansen van darmkankerpatiënten zijn de afgelopen jaren toegenomen. De relatieve 5-jaarsoverleving steeg van 54% in de periode 1989-1993 naar 62% in de periode 2008-2012 voor patiënten met dikkedarmkanker en van 51% naar 65% voor patiënten met endeldarmkanker. De overleving van darmkanker is zeer afhankelijk van het stadium bij diagnose. De kans op overleving voor de patiënt vijf jaar na diagnose loopt uiteen van ruim 90% voor stadium I patiënten tot minder dan 10% voor stadium IV patiënten.

Over de NKR  
Sinds 1989 beschikt Nederland over een databank met betrouwbare, objectieve gegevens over de incidentie, prevalentie, overleving en sterfte van alle gevallen van kanker. De database wordt gebruikt voor epidemiologisch onderzoek, klinische studies en voor onderzoek naar de kwaliteit van zorg. Deze gegevens zijn ook beschikbaar voor het evalueren van screening, oncologische richtlijnen en het ontwikkelen van beleid door zorginstellingen en de overheid. IKNL beheert de database. De nieuwste cijfers zijn gepubliceerd op: NKR-cijfers.

Gerelateerd

Studie naar relevantie histologische subtypen op prognose appendixcarcinoom

Pathologisch onderzoek

Bij patiënten met een locoregionaal of niet naar het buikvlies gemetastaseerd appendixadenocarcinoom heeft het histologisch subtype van de tumor géén invloed op de prognose. Echter, bij patiënten met peritoneale metastasen is het mucineus subtype wél een gunstige prognostische factor ten opzichte van patiënten met het een niet-mucineus adenocarcinoom. Dat blijkt uit onderzoek van Laura Legué (Catharina Ziekenhuis, Eindhoven & IKNL) en collega’s. Deze uitkomsten bevestigen dat mucineuze en niet-mucineuze adenocarcinomen in de appendix verschillend zijn als het gaat om prognose en behandelmogelijkheden.

lees verder

Overleving na dikkedarm- en borstkanker verbeterd tussen ’03-‘12 in Nederland

De overleving van patiënten met dikkedarm- en borstkanker is tussen 2003 en 2012 in Nederland verbeterd, maar er zijn wel opmerkelijke verschillen te zien tussen oudere en jongere patiënten, met name bij borstkankerpatiënten. Dat concluderen Doris van Abbema (Universiteit Maastricht & Amsterdam) en collega’s. Bij oudere vrouwen met borstkanker is een opvallende toename te zien van endocriene therapieën en daling van het aandeel operaties. De onderzoekers vragen zich af of de richtlijnen bij deze groep patiënten consistent worden gevolgd. De gestegen overleving bij ouderen met dikkedarmkanker is vooral toe te schrijven aan ruimere inzet van adjuvante chemotherapie en verbeterde preoperatieve behandeling en chirurgie.

lees verder