Overleving hepatocellulair carcinoom mede afhankelijk van ziekenhuistype

In landen met een lage incidentie van hepatocellulair carcinoom (zoals Nederland) kunnen de uitkomsten van resectie of behandeling met sorafenib verschillen per ziekenhuistype. Uit onderzoek van Lydia van der Geest (IKNL), Suzanne van Meer (UMCU) en collega’s blijkt dat de postoperatieve sterfte en mortaliteit op langere termijn hoger is in niet-academische ziekenhuizen. Ook de behandeling met Sorafenib wordt in niet-universitaire ziekenhuizen geassocieerd met een hogere langetermijnsterfte. Het behandelvolume blijkt geen onafhankelijk voorspeller voor de uitkomsten van de behandeling.

Ondanks een stijging van de incidentie gedurende de afgelopen jaren blijft hepatocellulair carcinoom een zeldzame aandoening in Nederland. Het doel van deze studie was de mogelijke gevolgen te onderzoeken van het ziekenhuistype en het behandelvolume op de resultaten na resectie of behandeling met sorafenib bij patiënten met hepatocellulair carcinoma.

Potentiële risicofactoren 
De studie werd uitgevoerd aan de hand van gegevens in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) over patiënten met hepatocellulair carcinoom die gediagnosticeerd waren in de periode 2005 - 2011. Van deze patiënten werd de initiële behandeling en overleving vastgesteld. Potentiële risicofactoren die invloed kunnen hebben op de postoperatieve 30-dagensterfte en langetermijnmortaliteit (inclusief ziekenhuistype en volume) werden geëvalueerd met uni- en multivariate analyse bij patiënten die een resectie ondergingen en patiënten die sorafenib kregen toegediend.

In de periode 2005 - 2011 werden 2.402 patiënten gediagnosticeerd vanwege leverkanker. Van hen onderging 12% een resectie en kreeg 9% sorafenib toegediend. Respectievelijk 78% van de resecties en 48% van de behandelingen met sorafenib werden uitgevoerd in academische ziekenhuizen. De postoperatieve sterfte was hoger bij niet-academische ziekenhuizen (13% versus 4%; P = 0,01). Resectie in niet-universitaire ziekenhuizen werd geassocieerd met een hogere postoperatieve sterfte (odds ratio 3,38, 95% betrouwbaarheidsinterval 1,37-10,68) en een hogere mortaliteit op lange termijn (hazard ratio 1,21, 95% betrouwbaarheidsinterval 1,04-1,40).

Verschillen ziekenhuistypen 
Behandeling met sorafenib in niet-universitaire ziekenhuizen werd eveneens geassocieerd met een hogere langetermijnsterfte (hazard ratio1.39, 95% betrouwbaarheidsinterval 1,06-1,82). Het behandelvolume van het ziekenhuis was geen onafhankelijke voorspeller voor uitkomsten van de behandeling. Lydia van der Geest, Suzanne van Meer en collega’s concluderen dat in landen met een lage incidentie van hepatocellulair carcinoom de uitkomsten van resectie of behandeling met sorafenib kan verschillen tussen de diverse ziekenhuistypen.

  • Lydia G.M. van der Geest, Suzanne van Meer, Janina G.H. Schrier, Jan N.M. IJzermans, Heinz-Josef Klümpen, Karel J. van Erpecum, Rob A. de Man: ‘Survival in relation to hospital type after resection or sorafenib treatment for hepatocellular carcinoma in The Netherlands’.
  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl 
Gerelateerd

Verbeterde overleving en toename incidentie stadium IV neuroblastoom

Kinderen van 18 maanden en ouder met stadium IV neuroblastoom hebben betere overleving

De incidentie van hoog risico neuroblastoom, stadium IV is in Nederland onder kinderen van 18 maanden en ouder tussen 1990 en 2014 gestegen. Tegelijkertijd nam de 5-jaarsoverleving toe van alle kinderen met deze ziekte, met name kinderen met stadium IV neuroblastoom, zo blijkt uit onderzoek van Michelle Tas en Ardine Reedijk (beiden Prinses Máxima Centrum) en collega’s van onder andere IKNL. De verbetering in overleving  hangt samen met introductie van hoge doseringen chemotherapie gevolgd door stamceltransplantatie en immunotherapie. De oorzaak van de toegenomen incidentie van stadium IV neuroblastoom is onbekend.

lees verder