Posterprijs voor studie DICA / IKNL naar chemotherapie bij borstkanker

Volgens de Nederlandse richtlijnen voor borstkanker is neo-adjuvante chemotherapie geïndiceerd bij patiënten met lokaal gevorderde borstkanker (stadium III) jonger dan 70 jaar. De patronen ten aanzien van het gebruik van neo-adjuvante chemotherapie zijn echter in de huidige zorgpraktijk bij patiënten met stadium III borstkanker niet goed beschreven. 

Onverklaarbare variatie
Het landelijk gemiddelde aan neo-adjuvante chemotherapieën is de afgelopen 3 jaar in Nederland nauwelijks veranderd. In combinatie met een aanzienlijke, variatie in de toepassing hiervan tussen ziekenhuizen, suggereert dit dat er sprake is van onderbenutting van neo-adjuvante chemotherapie in Nederland. 

Het onderzoek is mogelijk dankzij een subsidie van KWF Kankerbestrijding in het kader van ‘Kwaliteit van de oncologische zorg’. In deze studie worden de factoren nader onderzocht die samenhangen met de toepassing van neo-adjuvante chemotherapie bij patiënten met borstkanker. Ook worden patronen in de zorgpraktijk zichtbaar gemaakt in alle Nederlandse ziekenhuizen die zorg verlenen aan patiënten met borstkanker. 

De gegevens voor deze studie zijn ontleend aan de nationale NABON Borstkanker Audit (NBCA), een database waarin alle patiënten zijn opgenomen die behandeld zijn vanwege invasieve borstkanker. Deze data zijn geregistreerd door IKNL-medewerkers en door de ziekenhuizen zelf. De onderzoekers selecteerden de gegevens van patiënten met een leeftijd tussen 18 en 70 jaar die tussen januari 2011 en september 2013 waren gediagnosticeerd met stadium III invasieve borstkanker. Bij de analyses werd onder meer gelet op de toepassing van neo-adjuvante chemotherapie, de relatie met specifieke tumorfactoren en logistieke factoren.

Preliminaire resultaten 
In totaal werden de dossiers van 1.460 patiënten beoordeeld afkomstig uit de NBCA-database. Een eerste analyse van deze gegevens laat zien dat van deze groep gemiddeld 70 procent van de patiënten met stadium III borstkanker neo-adjuvante chemotherapie kreeg toegediend. Factoren die samenhingen met het krijgen van deze behandeling waren: een jongere leeftijd, een preoperatief bekende positieve nodale status en een toenemende tumorgrootte. Ook een multidisciplinaire preoperatieve samenwerking tussen zorgverleners en deelname aan klinische trials bleken het gebruik van neo-adjuvante chemotherapie te beïnvloeden. Grote verschillen tussen ziekenhuizen bleven echter aanwezig na correctie van deze case-mix.

De eindconclusie van de onderzoekers luidt dan ook dat slechts een deel van de aangetroffen variatie tussen ziekenhuizen in het toepassen van neo-adjuvante chemotherapie bij patiënten met stadium III borstkanker is toe te schrijven aan patiënt- of tumorkenmerken. Meer onderzoek is nodig om beter inzicht te krijgen in de achterliggende oorzaken en om de bewustwording bij specialisten en patiënten te verhogen.

  • Poster: ‘Variation in guideline adherence regarding neoadjuvant chemotherapie (NAC) in stage III breast cancer’

  • Meer informatie over deze studie is verkrijgbaar bij Pauline Spronk (stichting DICA) of dr. Sabine Siesling, senior-onderzoeker bij IKNL.

Gerelateerd

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder

Onderbroken versus continu chemotherapieschema voor uitgezaaide borstkanker: BOOG 2010-02 Stop&Go studie

De BOOG-studie Stop & Go vergeleek een onderbroken chemotherapieschema met een continu schema van acht opeenvolgende kuren voor uitgezaaide borstkanker. Op basis de resultaten van deze studie wordt een chemotherapie-vrije periode in de behandeling van patiënten met uitgezaaide borstkanker afgeraden. De effectiviteit van de eerstelijns chemotherapie nam af door het geven van een kleiner aantal chemotherapiekuren bij aanvang. Resultaten over de tweedelijnsbehandeling volgen binnenkort.

lees verder