Significant verschil intervaltijden radiotherapie na borstkankerchirurgie

Het tijdsinterval tussen chirurgie en het krijgen van adjuvante radiotherapie vertoont significante verschillen bij patiënten met borstkanker die eerder een borstsparende operatie of mastectomie ondergingen. Het percentage patiënten dat 42 dagen of meer na een operatie startte met radiotherapie varieerde van 14 tot 94 procent. Dat blijkt uit een studie van Sukran Katik (master student Health Science; Universiteit Twente), begeleid door dr. Sabine Siesling (IKNL) en radiotherapeuten. Volgens de onderzoekers wordt de variatie waarschijnlijk veroorzaakt door de verwijsprocedure vanuit het ziekenhuis naar het radiotherapiecentrum. Dit inzicht biedt mogelijkheden voor verbetering op beide niveaus.

Deze studie beschrijft de variatie in tijdsinterval tussen chirurgie en radiotherapie bij patiënten met borstkanker en beoordeelt factoren op het niveau van patiënt, ziekenhuis en radiotherapiecentrum die invloed kunnen hebben op deze variatie. Genoemde factoren werden onderzocht met behulp van multilevel logistische regressie. Het onderzoek werd uitgevoerd door middel van data afkomstig van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Hieruit werden 15.961 patiënten met borstkanker die een borstsparende operatie of mastectomie ondergingen direct gevolgd door radiotherapie in 79 ziekenhuizen en 19 bestralingscentra geselecteerd.

Oorzaken tijdsinterval Het percentage patiënten dat startte met radiotherapie op 42 dagen of meer na chirurgie varieerde van 14 tot 94 procent. Factoren die significant geassocieerd waren met een langer tijdsinterval tussen radiotherapie en chirurgie waren een diagnose verder terug in het verleden, hogere leeftijd, hoger tumorstadium, een hogere ASA-categorie, ondergaan van een mastectomie en het ontbreken van radiotherapeutische faciliteiten in het ziekenhuis. Het aantal patiënten dat radiotherapie kreeg binnen 42 dagen na de operatie was hoger in ziekenhuizen met eigen, interne radiotherapiefaciliteiten (OR 1,36, p = 0,024).

De onderzoekers stellen dat de significante variatie in langere tijdsintervallen binnen zowel ziekenhuizen als radiotherapiecentra onverklaarde varianties hadden. Deze onverklaarde varianties in langere tijdsintervallen duiden erop dat deze verschillen worden veroorzaakt door de verwijzingsroute vanuit het ziekenhuis naar het radiotherapiecentrum. Deze informatie biedt mogelijkheden voor verbetering op op zowel ziekenhuisniveau als binnen radiotherapeutisch centra.

Gerelateerd

Praktijkvariatie in postoperatieve radiotherapie bij cN+ borstkanker

Bij patiënten met stadium cT1-2N+ borstkanker is een substantiële afwijking van de studierichtlijn waargenomen ten aanzien van het geven van postoperatieve radiotherapie na primaire systemische therapie. Deze afwijking is vooral zichtbaar bij patiënten met een ypN1 na primaire systemische therapie mét of zónder okselklierdissectie, zo blijkt uit de RAPCHEM-studie.

lees verder

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder