Borst-MRI na neo-adjuvante therapie ongeschikt ter detectie tumorresten in oksel

Het maken van een borst-MRI na neo-adjuvante chemotherapie is niet geschikt om achtergebleven tumorresten in de oksel te detecteren bij borstkankerpatiënten met positieve okselklieren. Dat blijkt uit onderzoek van Maarten Beek (Amphia Ziekenhuis, Breda) en collega’s. Een borst-MRI kan volgens de onderzoekers wel zinvol zijn om patiënten te identificeren met een laag risico op metastasen in de ARM-lymfeklieren. Deze benadering kan helpen bij het selecteren van een subgroep van cN+ patiënten bij wie het sparen van de ARM-lymfeklieren tijdens lymfeklierdissectie overwogen kan worden met als doel de kans op het ontstaan van lymfoedeem en andere arm- en schouderklachten te verkleinen. 

Axillary reverse mapping (ARM) is een techniek waarmee het lymfedrainagesysteem van de bovenste extremiteit zichtbaar gemaakt kan worden, zodat lymfebanen en -klieren in de arm gespaard kunnen worden tijdens een okselklierdissectie. In deze retrospectieve studie evalueerden de onderzoekers de incidentie van metastasen in de okselklieren (inclusief ARM-lymfeklieren) bij borstkankerpatiënten met klinisch positieve okselklieren (cN+ patiënten) die neo-adjuvante chemotherapie kregen gevolgd door een primaire lymfeklierdissectie en een borst-MRI. 

Retrospectieve studie 
In de huidige praktijk is primaire lymfeklierdissectie nog steeds de standaard behandelmethode bij patiënten na klinisch bewezen positieve okselklieren gedetecteerd met behulp van ultrasound-geleide fijne naald cytologie (cN+ patiënten). In deze retrospectieve studie werden data geanalyseerd van 98 cN+ borstkankerpatiënten. Patiënten zonder tumorresten in de okselklieren na neo-adjuvante chemotherapie en een borst-MRI (RAD-, n=64), werden vergeleken met patiënten bij wie ziekteresten in de okselklieren werden gevonden (RAD+, n=34). De aanwezigheid van verdachte okselklieren na een borst-MRI (pre-NAC en post-NAC) werd vastgesteld door ervaren radiologen en werd tevens getoetst aan histopathologische bevindingen. 

In de groep RAD- werden na het volgen van neo-adjuvante chemotherapie tumorresten in de okselklier gevonden bij 25 patiënten (39,1%) na pathologisch onderzoek ten opzichte van 24 patiënten (70,6%) in de groep RAD+ (p = 0,003). Metastasen in de ARM-lymfeklieren na toediening van neo-adjuvante chemotherapie werden aangetoond bij 5 patiënten (7,8%) in de groep RAD- vergeleken met 10 patiënten (29,4%) in de groep RAD+ (p = 0,005). 

Borst-MRI niet geschikt 
Maarten Beek en collega’s concluderen dat het maken van een borst-MRI na neo-adjuvante chemotherapie niet geschikt is om achtergebleven metastasen in de oksel te detecteren. Een MRI van de borst na neo-adjuvante chemotherapie kan echter wel nuttig zijn om cN+ patiënten te identificeren met een laag risico op metastasen in de ARM-lymfeklieren. Deze procedure kan helpen om een subgroep van cN+ patiënten te selecteren bij wie het sparen van de ARM-lymfeklieren tijdens lymfeklierdissectie overwogen kan worden, waardoor het risico op het ontstaan van lymfoedeem en andere klachten in arm en schouder kan worden verkleind. 

Voor zover is dit de eerste studie waarin wordt gerapporteerd over de rol van borst-MRI in het voorspellen van het risico van metastasen in  de ARM-lymfeklieren. Verder onderzoek is nodig, bij voorkeur door middel van een gerandomiseerde trial, met geselecteerde patiënten (cN+ na neo-adjuvante chemotherapie) om te bewijzen of het behouden van de ARM-lymfeklieren tijdens lymfeklierdissectie veilig is met betrekking tot lokale controle van de ziekte en of het de kans op lymfoedeem en andere klachten in arm en schouder kan verkleinen. 
 

  • Beek MA, Tetteroo E, Luiten EJ, Gobardhan PD, Rutten HJ, Heijns JB, Voogd AC, Klompenhouwer EG.: ‘Clinical impact of breast MRI with regard to axillary reverse mapping in clinically node positive breast cancer patients following neo-adjuvant chemotherapy’.

  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl