Locoregionale recidieven bij jonge vrouwen met borstkanker gedaald

Het aandeel locoregionale recidieven onder jonge vrouwen met een vroeg stadium van borstkanker is tussen 2003 en 2008 gedaald tot een relatief laag niveau. Hoewel een langere follow-up nodig is, geven de resultaten van deze studie belangrijke inzichten in het ontstaan van recidieven bij deze jonge patiënten bij wie het risico in enkele subgroepen verhoogd was in verband met de aanwezigheid van meer agressieve biomarkersubtypen. Dat schrijven Kim Aalders (Diakonessenhuis, Utrecht) en collega’s in de Journal of Clinical Oncology. Vanwege de observationele studieopzet dienen de uitkomsten van dit onderzoek met zorg geïnterpreteerd te worden, aangezien de mogelijkheid van verstorende indicaties niet helemaal zijn uit te sluiten.  

Het doel van deze studie was om de huidige verhoudingen van lokale en regionale recidieven te evalueren bij jonge patiënten met borstkanker in relatie tot de biologische eigenschappen van de tumor uitgedrukt in biomarkersubtypen. 

In de databank van de Nederlandse Kankerregistratie werden gegevens geselecteerd van vrouwen jonger dan  35 jaar ten tijde van de diagnose die een operatie kregen voor een primaire, eenzijdige invasieve borstkanker tussen 2003 en 2008. De patiënten werden ingedeeld volgens biomarkersubtypen op basis van status van de hormoonreceptor (HR) en de human epidermal growth factor receptor 2 (HER2). Het 5-jaarsrisico op het ontwikkelen van een lokaal recidief en regionaal lymfeklierrecidief werden geschat met behulp van de Kaplan-Meier-analyse. 

Uitkomsten studie 
In totaal identificeerden de onderzoekers duizend patiënten, van wie 59% een bekend subtype had, namelijk 39% HR-positief / HER2-negatief; 17% HR-positief / HER2-positief; 10% HR-negatief / HER2-positief en 34% HR-negatief / HER2-negatief (tripel negatief). Over de totale vijf jaar kwamen bij 3,5% van de patiënten lokale recidieven voor in 3,7% regionale recidieven. 

Over de tijd zagen de onderzoekers een dalende trend voor beide typen recidieven die gepaard ging met een significante afname van het risico van afstandsmetastasen. In 2003 kwamen lokale recidieven voor bij 4,2% van de patiënten, regionale recidieven bij 6,1% en afstandsmetastasen bij 17,8% van de patiënten. In 2008 was dit gedaald naar respectievelijk 3,2%, 4,4% en 10,0%. 

Analyses toonden verder aan dat het aandeel lokale en regionale recidieven varieerde per biomarkersubtype. Deze verschillen waren significant wanneer deze geanalyseerd werden over de gehele onderzoeksperiode (p = 0,056 respectievelijk p = 0,014) en vlakten af na de introductie van het middel trastuzumab na 2005 (p = 0,24 respectievelijk p = 0,42). Patiënten met lymfkliermetastasen ten tijde van de diagnose hadden een verhoogd risico op het ontwikkelen van een regionaal recidief. Het type chirurgie (borstsparende of mastectomie) had geen invloed op het aandeel lokale en regionale recidieven in de onderzochte patiëntengroep. 

Conclusies en discussie 
Kim Aalders en collega’s concluderen dat de aandelen locoregionale recidieven onder jonge vrouwen met een vroeg stadium van borstkanker tussen 2003 en 2008 daalden en relatief laag eindigden. De hogere kans op recidieven bij deze jonge patiënten werden in verband gebracht met de aanwezigheid van meer agressieve biomarkersubtypen. Hoewel een langere follow-up nodig is, zeker bij deze jonge vrouwen met borstkanker, geven de resultaten van deze studie belangrijke inzichten in de risico’s op het ontstaan van locoregionale recidieven in deze historisch hoog-risicovolle patiëntengroep.  

De onderzoekers wijzen er op dat door de observationele opzet van de studie de mogelijkheid bestaat van verstorende indicaties. Aangezien het aantal recidieven erg laag was, was multivariabele analyses om te corrigeren voor verstorende factoren en interactie, niet uitvoerbaar. De resultaten van deze studie moeten met deze beperking in het achterhoofd worden geïnterpreteerd.

  • Aalders KC, Postma EL, Strobbe LJ, van der Heiden-van der Loo M, Sonke GS, Boersma LJ, van Diest PJ, Siesling S en van Dalen T. ‘Contemporary Locoregional Recurrence Rates in Young Patients With Early-Stage Breast Cancer’.

  • Meer informatie over deze publicatie is ook verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl  

Gerelateerd

Borstkanker in Nederland: toename incidentie en ook stijging prevalentie

De incidentie van borstkanker (het aantal nieuwe diagnoses) is in de afgelopen decennia gestegen van 8.285 in 1990 naar 14.551 in 2015. Het gaat hierbij om invasieve tumoren. Bij mannen zijn in dezelfde periode respectievelijk 37 en 102 diagnoses gesteld. Ook niet-invasieve tumoren zijn gestegen van 371 in 1990 naar 2.548 in 2015. Deze stijging is vooral beïnvloed door vroege ontdekking tijdens het bevolkingsonderzoek naar borstkanker en vooral zichtbaar in de eerste jaren van screening. De laatste jaren vlakt de stijging wat af. De stijging van de incidentie in combinatie met de goede overlevingskansen van deze patiënten leidt tot een verdere toename van de prevalentie.

lees verder

Eerste population-based studie naar herkomst bevestigde levermetastasen

Onderzoekers van Radboud UMC, PALGA, Erasmus MC en IKNL hebben recent de eerste landelijke studie gepubliceerd, waarin de incidentie en origine van histologisch bevestigde levermetastasen is onderzocht. Het merendeel van de levermetastasen waren carcinomen, waarvan adenocarcinomen het meest voorkomende subtype was. De meest voorkomende primaire tumoren bij patiënten met adenocarcinomen waren colorectaal, pancreas- en borsttumoren. Deze en andere bevindingen vormen volgens Jannemarie de Ridder (Radboud UMC) en collega’s een belangrijke basis voor het ontwikkelen van nieuwe diagnostische strategieën. 

lees verder