Significante variatie in aanbieden adjuvante chemotherapie pancreascentra

Er bestaat ‘significante variatie’ tussen de 19 pancreascentra in Nederland wat betreft het aanbieden van adjuvante chemotherapie na een Whipple-operatie. Tussen 2008 en 2013 lag het aandeel patiënten met alvleesklierkanker dat adjuvante chemotherapie kreeg aangeboden in deze centra tussen 26% en 74%. Dat blijkt uit een gezamenlijke studie van Catharina Ziekenhuis, AMC, Erasmus MC en IKNL. De onderzoekers stellen tevens vast dat het minder waarschijnlijk is dat oudere patiënten en patiënten met een lager tumorstadium in aanmerking komen voor adjuvante behandeling. Deze onderbenutting verdient meer aandacht, want de meeste patiënten blijven langer leven na adjuvante chemotherapie.

Adjuvante chemotherapie na een pancreatoduodenectomie (pylorussparende of Whipple-operatie) wordt momenteel beschouwd als de zorgstandaard voor patiënten met alvleesklierkanker. In deze landelijke studie gingen onderzoekers na welke kenmerken de kans op het krijgen adjuvante chemotherapie beïnvloeden en wat het effect is van deze aanvullende behandeling op de totale overleving. Hiervoor werden gegevens gebruikt uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) van IKNL.

Opzet en resultaten
Alle patiënten met stadium M0 alvleesklierkanker die tussen 2008 en 2013 in Nederland zijn behandeld en die 90 dagen na een pancreatoduodenectomie nog in leven waren, werden opgenomen in de studie. De kans op het ontvangen van adjuvante chemotherapie werd geanalyseerd met behulp van multilevel, logistische regressie en verschillen in tijd tussen operatie en de eerste dosis chemotherapie werden geëvalueerd op significantie met de Mann-Whitney-test. Daarnaast beoordeelden de onderzoekers de algehele overleving met de Kaplan-Meier-methode en Cox-regressie-analyses.


Geobserveerd percentage patiënten met pancreascarcinoom dat adjuvante chemotherapie kreeg na een pancreatoduodenectomie in 19 pancreascentra in Nederland tussen 2008 en 2013.

Van de 1.195 patiënten die een pancreatoduodenectomie kregen vanwege alvleesklierkanker, ontvingen in totaal 642 patiënten (54%) adjuvante chemotherapie, met een stijging van 33% in 2008 naar 54% in 2009 en 61% in 2013. Het aandeel patiënten dat adjuvante chemotherapie kreeg, varieerde significant tussen de 19 pancreascentra, van 26% tot 74% (p <0,001). Ook na correctie voor casemixverschillen tussen ziekenhuizen bleef de variatie aanzienlijk.

Start chemotherapie en overleving
De mediane tijd tot de eerste chemotherapie bedroeg 6,6 weken en verschilde niet significant tussen de centra. Ook werden geen verschillen gevonden in het tijdstip van chemotherapie tussen UMC’s en niet-UMC’s respectievelijk tussen de centra en verwijzingsziekenhuizen. Een latere start (na 6 weken) had geen negatief effect op de overleving. Daarmee bevestigt deze studie eerdere studies die tevens lieten zien dat afmaken van de chemotherapie belangrijker was dan snel starten. De mediane tijd tussen de operatie en start van de adjuvante chemotherapie suggereert volgens de onderzoekers dat er sprake kan zijn van een nihilistische benadering ten aanzien van een late start van adjuvante chemotherapie.

Uit de studie blijkt verder dat patiënten met een hoger tumorstadium, een jongere leeftijd en die recenter zijn gediagnostiseerd meer kans hadden om een adjuvante behandeling te krijgen. De algehele 5-jaarsoverleving was significant hoger bij patiënten die werden behandeld met adjuvante chemotherapie (23% versus 17%). De Cox-regressie-analyse liet zien dat behandeling met adjuvante chemotherapie bijdraagt aan een significante verlenging van de overleving in vergelijking met patiënten die geen adjuvante chemotherapie kregen. ‘Confounding by indication’ kan echter niet geheel worden uitgesloten.

Onderbenutting 
De constatering dat het minder waarschijnlijk is dat oudere patiënten en patiënten met een lager tumorstadium adjuvante therapie krijgen, verdient volgens de onderzoekers extra aandacht. Oudere patiënten krijgen in de praktijk minder vaak adjuvante chemotherapie, mogelijk vanwege een grotere kans op complicaties of trager herstel, respectievelijk een grotere terughoudendheid bij medisch specialisten of patiënten zelf ten aanzien van adjuvante chemotherapie. Om het mogelijke effect van complicaties te verminderen waren patiënten geëxcludeerd die binnen 90 dagen na de operatie waren overleden De eindconclusie van Maikel Bakens (Catharina Ziekenhuis) en collega’s luidt daarom dat in Nederland sprake is van onderbenutting van adjuvante chemotherapie bij patiënten met alvleesklierkanker. 

  • Bakens MJ, van der Geest LG, van Putten M, van Laarhoven HW, Creemers GJ, Besselink MG, Lemmens VE, de Hingh IH en de Dutch Pancreatic Cancer Group: ‘The use of adjuvant chemotherapy for pancreatic cancer varies widely between hospitals: a nationwide population-based analysis’.Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl

Gerelateerd

Variatie in chemotherapie gedaald bij uitgezaaid pancreasadenocarcinoom

Variatie in chemotherapie gedaald bij uitgezaaid pancreasadenocarcinoom

Hoewel de variatie in het voorschrijven van FOLFIRINOX en nab-paclitaxel plus gemcitabine aan patiënten met gemetastaseerd ductaal pancreasadenocarcinoom in Nederland is gedaald, kreeg tussen 2007 en 2016 nog circa een kwart van de patiënten monotherapie met gemcitabine. Dat tonen Anouk Latenstein (Amsterdam UMC, locatie AMC) en collega’s aan met behulp van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Zij pleiten voor een meer gestructureerde aanpak bij de implementatie van nieuwe middelen.

lees verder

Pancreasadenocarcinoom: toename incidentie, geringe verbetering overleving

Pancreasadenocarcinoom: toename incidentie, geringe verbetering overleving

De incidentie van ductaal pancreasadenocarcinoom is tussen 1997 en 2016 toegenomen in Nederland. In deze periode verdubbelde het aandeel resecties, nam de sterfte na resectie af, en steeg het aandeel patiënten dat adjuvante of palliatieve chemotherapie kreeg. Echter, doordat een meerderheid van de patiënten uitsluitend ondersteunende zorg ontving, was de algehele overlevingsverbetering met circa drie weken verwaarloosbaar klein, aldus Anouk Latenstein (Amsterdam UMC) en collega’s.

lees verder