Grote variatie in behandeling van stadium III NSCLC in Nederland en België

Er bestaat grote variatie tussen Nederland en België én binnen deze landen als het gaat om de behandeling van patiënten met niet-operabel (stadium III) niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). Dat blijkt uit een observationele, population-based studie van Iris Walraven (NKI-AvL) en collega’s, waarin de verschillen tussen gelijktijdige en sequentiële chemoradiotherapie zijn onderzocht. De keuze voor sequentiële chemoradiotherapie bij deze patiënten hing significant samen met een hogere leeftijd en een gevorderd stadium van de ziekte. Volgens de onderzoekers is aanvullend onderzoek nodig om tot een betere behandelstrategie te komen voor individuele patiënten met gevorderd stadium van NSCLC. 

Het gelijktijdig geven van chemo- en radiotherapie (chemoradiotherapie, CCRT) wordt beschouwd als de standaard behandeling bij patiënten met niet-operabel lokaal gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). Sequentiële chemoradiotherapie (SCRT) wordt aanbevolen bij patiënten die niet fit genoeg zijn om CCRT te ontvangen of wanneer het behandelvolume als te groot wordt beschouwd. In deze studie is het aandeel CCRT / SCRT in Nederland en België onderzocht. Daarbij werd specifiek gekeken naar patiënt- en ziektekenmerken die samenhangen met het gebruik van SCRT. 

Opzet en uitkomsten 
Het gaat om een observationeel onderzoek met gegevens van drie onafhankelijke, landelijke kankerregistraties, namelijk de Belgische Kankerregistratie (BCR), Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en de Dutch Lung Cancer Audit-Radiotherapy (DLCA-R). De variatie in patiënt- en ziektekenmerken tussen CCRT en SCRT werden geëvalueerd met ongepaarde t-toetsen (voor continue variabelen) en chi-kwadraattoetsen (voor categorische variabelen). Daarnaast ontwikkelden de onderzoekers een prognostisch model om patiënt- en ziekteparameters vast te stellen die bepalend zijn bij de keuze van SCRT. 

De studiepopulatie bestond uit 350 patiënten uit de BCR, 780 patiënten uit de NKR en 428 patiënten uit de DLCA-R. Meer dan de helft (55%) van de patiënten met stadium III NSCLC in Nederland en meer dan een derde (35%) in België kreeg een behandeling met CCRT. In zowel de Nederlandse als de Belgische populatie bleek een hogere leeftijd en een meer gevorderd N-stadium significant samen te hangen met het ontvangen van sequentiële chemoradiotherapie. Tegen de verwachting in werd geen verband gevonden tussen de gezondheidstoestand, longfunctie, comorbiditeiten, tumorvolume en het krijgen van SCRT. 

Conclusie en aanbevelingen 
Iris Walraven en collega’s concluderen op basis van deze studie dat er een grote variatie is in behandelingen bij patiënten met een niet-operabel stadium III van niet-kleincellig longcarcinoom tussen en binnen Nederland en België. De keuze voor sequentiële chemoradiotherapie hing significant samen met een hogere leeftijd en hoger stadium van de ziekte. Dit verklaart echter niet de grote variatie tussen beide landen en klinieken.  

De onderzoekers kunnen op basis van de beschikbare patiënt- en ziektekenmerken niet verklaren wat de mogelijke oorzaken zijn van de gevonden behandelvariatie. De richtlijnen zijn internationaal uniform, maar kennelijk zijn er andere parameters die in de praktijk het behandelbeleid bepalen. Volgens Iris Walraven en collega’s is aanvullend onderzoek nodig om een betere behandelstrategie te ontwikkelen voor individuele patiënten met niet-operabel niet-kleincellig longcarcinoom. 

Mogelijke beperkingen 
In de discussie gaan de onderzoekers in op een aantal sterke en zwakke punten van de studie. Een sterk punt is het observationele ontwerp en het gebruik van population-based data die de variatie in behandelingen in beide landen goed weerspiegelen. Door gebruik te maken van drie onafhankelijke registraties was het mogelijk een groot aantal verschillende kenmerken die mogelijk verband houden met behandelbeslissingen te bestuderen. Er zijn echter ook (mogelijke) beperkingen, waaronder jaarverschillen in de gebruikte data en het ontbreken van informatie over stralingsdosis en fractionering. 

Aan deze studie werkten mee specialisten en onderzoekers van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (Amsterdam), IKNL, Leiden Universitair Medisch Centrum, Belgische Kanker Registratie (Brussel), MAASTRO Clinic, UMC Maastricht,en KU Leuven. 
 

  • Walraven I, Damhuis RA, Ten Berge MG, Rosskamp M, van Eycken L, de Ruysscher D, Belderbos JSA: ‘Treatment Variation of Sequential versus Concurrent Chemoradiotherapy in Stage III Non-Small Cell Lung Cancer Patients in the Netherlands and Belgium’. Clin Oncol (R Coll Radiol). 2017 Nov;29(11):e177-e185.

  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl  

Gerelateerd

Thesis over behandeling gevorderde stadia niet-kleincellig longcarcinoom

Behandeling van patiënten met gevorderd stadium van niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) is complex. Chemoradiotherapie is veruit de meest gebruikte behandeling in Nederland bij patiënten met stadium III niet-kleincellig longcarcinoom. Met adequate stadiëring kan worden voorkomen dat patiënten worden uitgesloten die mogelijk baat kunnen hebben van chirurgie. Dat is een van de aanbevelingen in het proefschrift waarop Christian Dickhoff 8 december 2017 promoveert aan de VU in Amsterdam. Daarin gaat hij ook in op chemoradiotherapie bij oudere patiënten, trimodale therapie bij stadium IIIA niet-kleincellig longcarcinoom, opties bij een recidief en persisterende ziekte en kans op complicaties bij chirurgie.

lees verder