Minimale ongelijkheid in Nederland bij kans op chemotherapie bij borstkanker

Er is in Nederland minimale ongelijkheid wat betreft de sociaaleconomische status van patiënten met een vroeg stadium van borstkanker en de naleving van richtlijnen voor chemotherapie na een borstoperatie. Dat blijkt uit een studie van Anne Kuijer (Diakonessenhuis) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Over het algemeen hebben patiënten met een lage sociaaleconomische status een iets kleinere kans om chemotherapie na de operatie te krijgen, maar dat is volgens de onderzoekers niet te wijten aan een gebrek aan financiële mogelijkheden. Het verschil wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat patiënten met een hoge sociaaleconomische status meer geneigd zijn om alle therapeutische opties te doorlopen, zelfs als het voordeel daarvan onzeker is.

Het doel van deze studie was na te gaan of sociaaleconomische status (SES) en etniciteit invloed heeft op de naleving van richtlijnen voor adjuvante, systemische therapie bij patiënten met een vroeg stadium van borstkanker in een gezondheidszorgsysteem waarin wordt verondersteld dat iedereen gelijke toegang heeft tot deze zorg.

Opzet studie
De onderzoekers analyseerden gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) van alle vrouwen die tussen januari 2005 en december 2014 een operatie kregen vanwege een vroeg stadium borstkanker. Vervolgens evalueerden zij de samenhang tussen de sociaaleconomische status, etniciteit en niet-naleving van richtlijnen voor adjuvante chemotherapie of endocriene therapie met behulp van Poisson-regressiemodellen die gecorrigeerd werden voor klinische en pathologische variabelen.

Bevindingen
In totaal werden 104.201 patiënten opgenomen in de analyses. Van de patiënten zonder indicatie kregen 4% respectievelijk 13% adjuvante chemotherapie of endocriene therapie (“overbehandeling”), terwijl 39% respectievelijk 14% van de patiënten met een indicatie geen adjuvante chemotherapie of endocriene therapie kreeg aangeboden ("onderbehandeling").

Zowel patiënten met een gemiddelde als lage sociaaleconomische status hadden 1,01 meer kans op onderbehandeling, terwijl de kans op overbehandeling na een borstoperatie met adjuvante chemotherapie 0,85 respectievelijk 0,67 hoger was bij patiënten met een gemiddelde of lage sociaaleconomische status ten opzichte van patiënten met een hoge sociaaleconomische status. Dit resulteert in een algehele, relatieve kans op het krijgen van chemotherapie van 0,94 en 0,85. De onderzoekers zagen geen verband tussen de sociaaleconomische status en naleving van richtlijnen voor endocriene therapie of etniciteit en naleving van richtlijnen voor adjuvante chemotherapie en endocriene therapie.

Conclusie en nabeschouwing
Anne Kuijer en collega’s concluderen op basis van deze studie dat er in Nederland minimale ongelijkheid bestaat wat betreft sociaaleconomische status en de naleving van richtlijnen voor chemotherapie. De kans dat patiënten met een vroeg stadium van borstkanker en een lage sociaaleconomische status een overbehandeling met chemotherapie krijgen was iets minder waarschijnlijk, terwijl de kans op een onderbehandeling marginaal groter was. Dit resulteert over het geheel genomen in een kleinere kans voor patiënten met een lage sociaaleconomische status op het krijgen van adjuvante chemotherapie. Er werden geen verschillen gevonden tussen de etnische achtergrond van de patiënten en de naleving van richtlijnen voor adjuvante chemotherapie.

De studie is uitgevoerd in een situatie waarin iedereen gelijke toegang heeft tot de gezondheidszorg, waarbij adjuvante chemotherapie volledig wordt vergoed door de zorgverzekeraars. Daarom is het volgens de onderzoekers onwaarschijnlijk dat de waargenomen verschillen tussen de sociaaleconomische status en naleving van richtlijnen voor chemotherapie te wijten zijn aan een gebrek aan financiële mogelijkheden. De uitkomsten van deze studie suggereren dat patiënten met een hoge sociaaleconomische status meer geneigd zijn om alle therapeutische opties te doorlopen, zelfs als er geen zeker voordeel is van deze behandelingen en deze zelfs potentieel schadelijk kunnen zijn. Deze tendens wordt eveneens gevonden bij patiënten met een hoge sociaaleconomische status en andere vormen van kanker.
 

  • Kuijer A, Verloop J, Visser O, Sonke G, Jager A, van Gils CH, van Dalen T, Elias SG. ‘The influence of socio-economic status and ethnicity on adjuvant systemic treatment guideline adherence for early stage breast cancer in the Netherlands’.

  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl

Gerelateerd

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder

Studie naar risico regionale metastasen na borstoperatie & adjuvante therapie

Hoewel op basis van bekende vals-negatieve percentages van de schildwachtklierprocedure (5% tot 7%)  een vergelijkbaar percentage patiënten het risico loopt op een regionaal recidief in de oksel blijkt die laatste kans na 5 jaar 50% lager te liggen. Dat blijkt uit een studie van Marleen Roos (Diakonessenhuis Utrecht) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Om de invloed van aanvullende behandelingen op de regionale recidiefkans uit te schakelen werd het onderzoek uitgevoerd in een groep patiënten, bij wie radiotherapie en systemische therapie geen rol konden spelen.

lees verder