Presentatie rapporten uit Hemato-oncologieregister NKR over MM en DLBCL

Tijdens het 11th Dutch Hematology Congress zijn vrijdag 27 januari twee landelijke rapporten gepresenteerd van het Hemato-oncologieregister van de NKR met trends rond diagnostiek en behandeling van multipel myeloom (MM) en diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) in 2014. Ook staan er concrete aandachtspunten in ter verbetering van de zorg voor deze patiënten. Beide rapporten zijn gerealiseerd in samenwerking met Nederlandse Vereniging voor Hematologie (NVvH), Stichting Hemato-Oncologie voor Volwassenen Nederland (HOVON), instituut Beleid & Management Gezondheidszorg (iBMG), Special Interest Group (SIG) Hematologie en Hematon.

In het rapport over multipel myeloom wordt onder andere aandacht geschonken aan een aantal opmerkelijke bevindingen rond diagnostiek en behandeling. Zo blijkt dat bij circa 24 procent van de patiënten met een multipel myeloom geen stadiëring mogelijk is volgens het ‘International Staging System’ (ISS). ISS is wereldwijd het meest gebruikte model om het ziektebeloop van patiënten met symptomatische multipel myeloom te kunnen schatten. Dit was in vrijwel alle gevallen toe te schrijven aan het niet bepalen van het serum-β2-microglobulinegehalte. Ook cytogenetisch onderzoek wordt niet altijd uitgevoerd. Dat heeft te maken met de leeftijd: hoe ouder een patiënt, hoe minder vaak cytogenetisch onderzoek plaatsvindt.

Behandeling multipel myeloom
De samenstellers van het rapport gaan ook uitgebreid in op de behandelingen die in 2014 zijn aangeboden aan patiënten met symptomatisch multipel myeloom. Zo kreeg 80% van de patiënten in de leeftijd van 18 tot 65 jaar inductietherapie als eerstelijnsbehandeling. Van deze groep maakte ongeveer 20% geen gebruik van autologe stamceltransplantatie. Patiënten met symptomatisch multipel myeloom met een hogere leeftijd (66-70 jaar) werden minder vaak intensief behandeld dan hun jongere tegenhangers.

Conform de behandelrichtlijn uit 2012 werd VCD (combinatie van bortezomib, cyclofosfamide en dexamethason) het vaakst toegepaste inductieschema bij patiënten met symptomatisch multipel myeloom tot 70 jaar. Slechts een klein aantal patiënten kreeg PAD (bortezomib, doxorubicine en dexamethason) als inductietherapie. Verder kreeg iets meer dan de helft van de patiënten boven 70 jaar met symptomatisch multipel myeloom een behandeling met MPV (melfalan, prednison en bortezomib).


Circa een kwart van de patiënten met symptomatisch multipel myeloom boven 70 jaar kreeg geen chemotherapeutische behandeling. De vraag of een aangepast MPV-schema voor (fragiele) patiënten met comorbiditeit haalbaar is, wordt momenteel onderzocht in de klinische trial HOVON 123. Over het algemeen is deelname aan trials door patiënten met symptomatisch multipel myeloom erg laag. Van alle patiënten tot 66 jaar kreeg in 2014 ongeveer een derde een handeling in studieverband. In de leeftijd boven 75 jaar was de deelname nog lager, namelijk 13%.

Diffuus grootcellig B-cellymfoom
In het tweede rapport worden onder andere trends beschreven in diagnostiek en behandeling van patiënten met diffuus grootcellig B-cellymfoom. In bijna de helft van de casussen kon volgens de samenstellers geen IPI-score worden berekend, omdat bij deze patiënten de WHO-performance-score onbekend was. De IPI-score, belangrijk om de levensverwachting te schatten, gaat uit van vijf parameters (leeftijd, serum LDH, stadium van de ziekte, aantal extranodale lokalisaties en WHO-score) die in principe bij het stellen van de diagnose beschikbaar zou moeten zijn.

Een andere bevinding is dat ruim de helft van de patiënten met stadium I DLBCL een behandeling kreeg gebaseerd op de behandelrichtlijn uit 2014, zoals aanbevolen door de HOVON NHL-werkgroep. Bij stadium I is dat 3x R-CHOP21 gevolgd door radiotherapie of 6x R-CHOP21. Toch kreeg bijna 40% een afwijkend behandelschema voor R-CHOP, ongeacht de leeftijdscategorie waarin deze patiënten zich bevonden. Een van de oorzaken is het niet kunnen afronden van geplande behandelingen door patiënten vanwege toxiciteit.

Uit het Hematologie-oncologie register van de NKR blijkt verder dat patiënten met stadium II-IV DLBCL in 2014 iets minder strikt volgens de richtlijn werden behandeld. Dit geldt vooral voor patiënten in de leeftijd van 65 jaar en ouder en patiënten met stadium II DLBCL met een laag-risico IPI. Opvallend was dat patiënten met stadium II-IV DLBCL in de leeftijdscategorie 65 jaar en ouder vaak een behandelschema kregen met 6x R-CHOP21 + 2R in plaats van 6x R-CHOP14 + 2R. 

De voorkeur voor R-CHOP21 hangt wellicht samen met betere ‘patient reported outcomes’ (PROMS) bij dit schema in vergelijking met R-CHOP14. Patiënten met stadium II-IV DLBCL in de leeftijdscategorie van 75 jaar en ouder kregen vaker een afwijkend R-CHOP-schema ten opzichte van vergelijkbare, jongere patiënten. Ook bij deze patiënten speelt het niet kunnen afronden van de behandeling vanwege toxiciteit een rol; vooral bij oudere patiënten.

Gerelateerd

Fysiek actieve overlevenden multipel myeloom hebben betere kwaliteit van leven

Overlevenden van multipel myeloom die fysiek actief zijn, hebben een statistisch significant hogere gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven en hebben ook minder last van vermoeidheid en late bijwerkingen dan niet-fysiek actieve overlevenden. Deze bevindingen kunnen volgens een groep Italiaanse en Nederlandse onderzoekers bijdragen aan een beter begrip van de relatie tussen fysieke activiteit, ziektespecifieke aspecten en gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven bij overlevenden van multipel myeloom. Aanvullend onderzoek is wenselijk om de gunstige effecten van fysieke activiteit op de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven bij deze patiënten te verduidelijken.

lees verder

Lagere kwaliteit van leven voor kankeroverlevenden met cardiovasculaire ziekte

Overlevenden van kanker die ten tijde van de diagnose al hart- en vaatziekten hadden, rapporteren vaker een negatief effect op hun gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven. Het gaat hierbij onder meer om hun algehele kwaliteit van leven, fysiek functioneren en symptomen als vermoeidheid en dyspneu. Dat concluderen Dounya Schoormans (CoRPS, Tilburg University) en collega’s in Acta Oncologica. Volgens de onderzoekers is het belangrijk dat zorgverleners extra aandacht schenken aan deze kwetsbare groep overlevenden. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met mogelijke progressie van cardiovasculaire aandoeningen, aangezien oncologische behandelingen cardiotoxisch kunnen zijn.

lees verder