Ruimte voor verbetering adjuvante therapie bij hoog-risico baarmoederkanker

De naleving van richtlijnen voor het geven van adjuvante therapie aan patiënten met baarmoederkanker met een laag tot gemiddeld risico is uitstekend in Nederland. Dat blijkt uit een studie van Florine Eggink (UMC Groningen) en collega’s. Bij patiënten met hoog-risico baarmoederkanker is er echter ruimte voor verbetering. Volgens de onderzoekers is er nader onderzoek nodig om beter inzicht te krijgen in de achterliggende oorzaken van het niet naleven van richtlijnen. Mede vanwege het huidige accent op gedeelde besluitvorming.

Naleving van richtlijnen wordt opgevat als een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg. In deze studie evalueerden de onderzoekers de naleving van richtlijnen door artsen bij de behandeling met adjuvante therapie van patiënten met baarmoederkanker in Nederland in een population-based cohort over een periode van 10 jaar. Het cohort bestond uit gegevens van alle patiënten (n = 14.564) die tussen 2005 en 2014 zijn gediagnosticeerd met baarmoederkanker en bij wie geen residuen van de tumor aanwezig waren na chirurgie. De gebruikte data waren afkomstig uit de databank van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). 

Opzet en resultaten
De onderzoekers gebruikten het tumorstadium [volgens criteria van de Federation of Gynecology and Obstetrics (FIGO, 2009)], gradering, tumortype en leeftijd om de patiënten te stratificeren in risicogroepen. Mogelijke veranderingen in de naleving van richtlijnen over de tijd en de impact daarvan op de overleving werden geëvalueerd. De patiënten werden gestratificeerd in groepen met een laag / laag-gemiddeld risico (52%), hoog-gemiddeld risico (21%) en hoog-risico (20%). 

De algehele naleving van richtlijnen voor adjuvante therapie was 85%. De naleving was het hoogst (98%) bij patiënten met een laag / laag-gemiddeld risico (geen indicatie voor verstrekken van adjuvante therapie). De laagste naleving (61%) werd gevonden bij patiënten met een hoog-risico (indicatie voor externe radiotherapie met of zonder chemotherapie).

Binnen de laatste groep daalde de naleving van de richtlijn van 64% in 2005-2009 tot 57% in 2010-2014. Bij patiënten met een hoog-risico (FIGO-stadium III) en een sereuze ziekte werd de richtlijn in 55% van de gevallen nageleefd (indicatie voor chemotherapie met of zonder radiotherapie). Naleving van de richtlijn steeg over de tijd van 41% in 2005-2009 tot 66% in 2010-2014.

Conclusie
Hoewel de naleving van richtlijnen voor adjuvante therapie door artsen uitstekend is bij patiënten met een laag tot gemiddeld risico, is er volgens Florine Eggink en collega’s ruimte voor verbetering bij de behandeling van patiënten met hoog-risico baarmoederkanker. Ondanks het feit dat recente inspanningen enige richting hebben gegeven aan het ontbreken van internationale consensus rond de behandeling van baarmoederkanker, kijken de onderzoekers uit naar de langverwachte resultaten van een aantal grootschalige, gerandomiseerde trials die de resterende controverses kunnen oplossen. 

Discussie en aanbeveling
De onderzoekers wijzen er op dat het retrospectieve ontwerp van deze studie, ondanks inclusie van een omvangrijk cohort patiënten, enkele beperkingen kent. Zo was er geen informatie beschikbaar over lymfovasculaire invasie, zodat deze prognostische factor niet kon worden opgenomen in de risicostratificatie. Verder ontbrak informatie over comorbiditeiten, waardoor er geen correctie mogelijk was voor de overleving van patiënten met baarmoederkanker met of zonder comorbiditeiten. Dit werd deels ondervangen door te corrigeren voor de sociaaleconomische status die bekend is met de kans op comorbiditeiten. 

Daarnaast ontbrak informatie over recidieven en specifieke patiëntfactoren (weigering therapie, zwakte) en/of klinische factoren (negatief voordeel van therapie), waardoor het onmogelijk was een oordeel te geven over redenen voor wel / niet naleven van de richtlijn. Daarom is het volgens de onderzoekers gerechtvaardigd om de oorzaken van niet-naleving van richtlijnen bij baarmoederkanker in de toekomst te registreren om beter inzicht te krijgen in achterliggende redenen, met name gelet op het huidige accent op gedeelde besluitvorming.

Aan deze studie werkten mee onderzoekers en artsen van UMC Groningen, VUmc (Amsterdam), Catharina Ziekenhuis (Eindhoven), IKNL, UMC Maastricht en Radboudmc (Nijmegen).

•    Eggink FA, Mom CH, Boll D, Ezendam NPM, Kruitwagen RFPM, Pijnenborg JMA, van der Aa MA, Nijman HW. ‘Compliance with adjuvant treatment guidelines in endometrial cancer: room for improvement in high risk patients’. Gynecol Oncol. 2017 May 25. pii: S0090-8258(17)30881-8
•    Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl 

Gerelateerd

PORTEC-3: adjuvante chemotherapie tijdens en na radiotherapie ‘haalbaar’

Adjuvante chemotherapie tijdens en na radiotherapie lijkt ‘haalbaar’ bij vrouwen met hoog-risico baarmoederkanker, ondanks toename van de toxiciteit zoals die door zowel artsen als patiënten wordt gerapporteerd. Dat blijkt uit voorlopige analyses van de PORTEC-3-trial. Na de behandeling treedt volgens Stephanie de Boer (LUMC) en collega’s relatief snel herstel op van de meeste klachten. Bij een kwart van de patiënten blijven echter sensorische, neurologische symptomen aanwezig. De onderzoekers wachten verdere analyse van de PORTEC-3-studie af, voordat er definitieve conclusies getrokken kunnen worden.

lees verder