Overleving van patiënten met slokdarmkanker significant verbeterd

De overleving van patiënten met slokdarmkanker is in Nederland significant verbeterd, vooral in de meest recente periode (2005 - 2014). Dat concluderen Margreet van Putten (IKNL) en collega’s van UMC Maastricht, Catharina Ziekenhuis, Radboudumc en Erasmus MC in een studie uitgevoerd met gegevens van bijna 36.000 patiënten afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) uit de periode 1989 - 2015.  De gestegen overleving is volgens de onderzoekers  het gevolg van verbeterde stadiëring, betere selectie van patiënten en evolutie van behandelingen, waaronder neoadjuvante therapieën en centralisatie van slokdarmkankerchirurgie.  

De incidentie van slokdarmkanker is in Nederland tussen 1989 en 2015 fors gestegen van 683 naar 2.3688 Deze stijging kan vooral worden toegeschreven aan een toename van het aantal patiënten met een adenocarcinoom van de slokdarm, met name bij mannen. Beide vormen van slokdarmkanker, adenocarcinoom en plaveiselcelcarcinoom, hebben een specifieke etiologie en specifieke risicofactoren. Plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm wordt in verband gebracht met roken, overconsumptie van alcohol en een lage consumptie van fruit en groenten. Adenocarcinoom van de slokdarm wordt in verband gebracht met overgewicht en het, terugstromen van maagzuur in de slokdarm (reflux).  

Opzet studie 

De behandeling van patiënten met slokdarmkanker is in Nederland de afgelopen 26 jaar geëvolueerd onder invloed van ontwikkelingen, zoals centralisatie van chirurgie en introductie van neoadjuvante chemoradiatie. In deze studie zijn de trends geanalyseerd ten aanzien van stadiumverdeling, behandeling en overleving van patiënten met slokdarmkanker gedurende deze periode. De onderzoekers selecteerden voor deze studie alle patiënten met slokdarmkanker die tussen 1989 en 2014 zijn gediagnosticeerd en opgenomen in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR).  

De patiënten werden verdeeld in een groep zónder metastasen (M0) en een groep mét metastasen (M1) bij diagnose. De trends in stadiumverdeling, behandeling en relatieve overleving werden beoordeeld aan de hand van histologie. Onder de geïncludeerde patiënten (n = 35.760) daalde het percentage patiënten met een onbekend tumorstadium in de onderzochte periode van 34% naar 10%, terwijl het percentage patiënten met een gemetastaseerde ziekte steeg van 21% naar 34%.  

Behandeling en overleving 

Het aandeel resecties in hoogvolume ziekenhuizen nam toe van 32% in 2005 naar 92% in 2014. Het gebruik van chemoradiotherapie gevolgd door een operatie bij patiënten met niet-gemetastaseerd adenocarcinoom van de slokdarm steeg van 4% in 2000-2004 naar 43% in 2010-2014 en bij patiënten met plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm in dezelfde perioden van 2% naar 26%. 

De 5-jaarsoverleving verdriedubbelde tussen 1989 en 2014 bij patiënten met niet-gemetastaseerd adenocarcinoom van de slokdarm van 12% naar 36% en verdriedubbelde ook bij patiënten met niet-gemetastaseerd plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm van 9% naar 27%. De relatieve 5-jaarsoverleving van alle patiënten nam in deze periode toe van 8% naar 22%.  
 
Relatieve overleving van alle patiënten met slokdarmkanker in Nederland, naar periode van diagnose. 

Bij patiënten met een gemetastaseerde ziekte nam de mediane, totale overleving in de onderzoeksperiode toe van 18 naar 22 weken (22% toename). De verlengde overleving van gemetastaseerde patiënten kan volgens de onderzoekers het resultaat zijn van veranderingen in de behandelingen, maar ook het gevolg zijn van stadiummigratie door introductie van verbeterde diagnostische technieken, waardoor detectie van metastasen in een eerder stadium mogelijk is geworden. 

Conclusies en aanbevelingen

Margreet van Putten en collega’s concluderen dat de overleving van patiënten met slokdarmkanker, vooral in de meest recente periode (2005 – 2014), aanzienlijk is verbeterd in Nederland. Dit is waarschijnlijk het gevolg van verbeterde stadiëring, betere selectie van patiënten en evolutie van behandelingen, zoals neoadjuvante behandeling en centralisatie van slokdarmkankerchirurgie. Verdere verbetering kan volgens de onderzoekers worden bereikt door vroegere opsporing van slokdarmkanker, behandeling van (pre) maligne laesies en door het inzetten van effectievere, gepersonaliseerde systemische behandeling.

Aan deze studie werkten onderzoekers en artsen mee van IKNL, UMC Maastricht, Catharina Ziekenhuis (Eindhoven), Radboudumc (Nijmegen) en Erasmus MC (Rotterdam). 

  • M. van Putten, J. de Vos-Geelen, G.A.P. Nieuwenhuijzen, P.D. Siersema, V.E.P.P. Lemmens, C. Rosman, M.J.C. van der Sangen en R.H.A. Verhoeven. ‘Long-term survival improvement in oesophageal cancer in the Netherlands’. European Journal of Cancer 94 (2018) 138-147.

  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl