Effect toevoegen bevacizumab bij uitgezaaide dunnedarmkanker lijkt beperkt

Het toevoegen van bevacizumab aan de eerstelijns, palliatieve behandeling van patiënten met gemetastaseerd adenocarcinoom van de dunnedarm heeft slechts een beperkt effect (circa twee maanden) op de algehele overleving van deze patiënten. Dat concluderen Laura Legué (Catharina Ziekenhuis) en collega’s in een studie met behulp van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Om de overlevingskansen van deze patiënten te verbeteren zou toekomstig onderzoek gericht moeten zijn op het identificeren van een subgroep van patiënten die mogelijk baat heeft bij therapie met VEGF-remmers.

Gegevens over het gebruik en de effectiviteit van doelgerichte (targeted) therapie bij gemetastaseerd adenocarcinoom van de dunnedarm zijn schaars. Het doel van deze studie was meer inzicht te krijgen in het gebruik en de effectiviteit van deze behandeling bij patiënten met synchrone metastasen van adenocarcinoom van de dunnedarm.

Opzet

De onderzoekers haalden gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) gediagnosticeerd met synchrone metastasen van adenocarcinoom van de dunnedarm (n = 187) die tussen 2007 en 2016 zijn behandeld met palliatieve chemotherapie en/of doelgerichte therapie. Vervolgens werden de verschillen geëvalueerd in behandeling en effecten daarvan op de algehele overleving.

Resultaten

Als eerstelijnsbehandeling ontvingen 25 patiënten (13%) aanvullend doelgerichte therapie met enkel bevacizumab, meestal in combinatie met CAPOX / FOLFOX (n = 24). Een primaire tumor in het laatste deel van de dunnedarm (het ileum) bleek een voorspellende factor voor eerstelijnsbehandeling met bevacizumab (odds ratio 3,2). De algehele overleving werd berekend voor patiënten met en zonder toevoeging van bevacizumab in de eerstelijnsbehandeling.

De mediane, algehele overleving van patiënten na toevoeging van bevacizumab aan de eerstelijnsbehandeling was 9,3 maanden, vergeleken met 9,1 maanden zónder toevoeging van bevacizumab (p = 0,85). Om de invloed van eventuele tweede- en derdelijnsbehandeling uit te sluiten, berekenden de onderzoekers de algehele overleving nogmaals voor patiënten die uitsluitend een eerstelijns palliatieve behandeling kregen. Daaruit bleek dat de mediane algehele overleving 8,5 maanden was na toevoeging van bevacizumab respectievelijk 6,4 maanden zonder toevoeging van bevacizumab (p = 0,54). Multivariabele analyse wees uit dat de toevoeging van bevacizumab geen prognostische factor was voor een betere overleving (hazard ratio 1,01, 95% betrouwbaarheidsinterval 0,65-1,59).

Conclusie en aanbevelingen

Laura Legué en collega’s stellen vast dat bevacizumab het enige doelgerichte middel is dat in Nederland wordt voorgeschreven bij de eerstelijnsbehandeling van gemetastaseerd adenocarcinoom van de dunnedarm. Ook concluderen zij dat de uitkomsten van deze studie suggereren dat aanvullende behandeling met bevacizumab, naast eerstelijns palliatieve chemotherapie, slechts een beperkt effect heeft op de algehele overleving van deze patiënten. De onderzoekers wijzen hierbij op het beperkt aantal patiënten dat een eerstelijnsbehandeling met bevacizumab ontving en onbekende redenen om een aanvullende behandeling met dit middel voor te schrijven.

Dit population-based onderzoek is de eerste studie waarin het gebruik van doelgerichte therapie als eerstelijnsbehandeling is onderzocht als aanvulling op reguliere palliatieve chemotherapie. In andere, eerdere studies vond behandeling met bevacizumab gemengd plaats als eerste- en tweedelijnsbehandeling, waardoor de toegevoegde waarde van bevacizumab niet goed kon worden bepaald. Aangezien het genenprofiel van patiënten met gemetastaseerd adenocarcinoom van de dunnedarm een lagere expressie van VEGF-A (vasculaire endothele groeifactor) vertoont, dient toekomstig onderzoek gericht te zijn op het identificeren van een subgroep van patiënten die baat zouden kunnen hebben bij een anti-VEGF-therapie.

Gerelateerd

Thesis klinische en pathologische aspecten dunnedarm- en appendixkanker

Thesis klinische en pathologische aspecten dunnedarm- en appendixkanker

Patiënten met zeldzame dunne darm- en appendixkanker krijgen in de klinische praktijk vaak nog eenzelfde behandeling als patiënten met maag- en dikkedarmkanker. De onderbouwing hiervoor ontbreekt grotendeels concludeert Laura Legué in haar proefschrift. Daarin toont ze aan dat dunne darm- en appendixkanker unieke kankersoorten zijn, met elk een zeer verschillend ziektebeloop. Verder blijkt dat bij gemetastaseerde dunnedarmkanker slechts een minderheid van de patiënten palliatieve chemotherapie ontvangt. En bij appendixkanker met uitzaaiingen naar het buikvlies heeft het histologisch subtype een belangrijke prognostische waarde.

lees verder

Onderzoek chemotherapie bij synchroon gemetastaseerde dunnedarmkanker

IKNL is in samenwerking met het Catharina Ziekenhuis een population-based onderzoek gestart naar de chemotherapeutische behandeling van patiënten met synchroon gemetastaseerd adenocarcinoom van de dunnedarm. Doel is inzicht te krijgen in de verschillende systemische en doelgerichte therapieën die tussen 2007-2016 in Nederland zijn gebruikt bij de behandeling van deze patiënten. De studie wordt uitgevoerd door Laura Legué (Catharina ziekenhuis, IKNL) onder leiding van dr. Geert-Jan Creemers, dr. Felice van Erning en prof. dr. Valery Lemmens. Het onderzoek is mede mogelijk dankzij een subsidie van het Catharina Onderzoekfonds.

lees verder