Longkankerzorg binnen een oncologisch netwerk geëvalueerd

Samen met het regionaal oncologisch netwerk A.R.T.Z. heeft IKNL in de eerste helft van 2019 een pilot uitgevoerd om de longkankerzorg binnen het oncologisch netwerk te evalueren. Aan de hand van een nieuw ontwikkeld referentiekader met 10 normen voor de organisatie van een oncologisch (tumorspecifiek) zorgnetwerk en data uit de NKR zijn de effecten van de samenwerking in kaart gebracht. 

De Alliantie Regionale TopZorg (A.R.T.Z.) bestaat sinds 2014 als regionaal oncologisch netwerk van drie Gelderse ziekenhuizen, Ziekenhuis Rijnstate, Ziekenhuis Gelderse Vallei en Slingeland Ziekenhuis, en de Radiotherapiegroep. Eind 2018 vroeg A.R.T.Z. aan IKNL een visitatie van de longkankerzorg te organiseren. Het in het verleden gehanteerde visitatiemodel sluit echter onvoldoende aan op de veranderende organisatie van oncologische zorg en de samenwerking binnen een netwerk. Daarom is met A.R.T.Z. gewerkt aan een nieuw model voor evalutatie van longkankerzorg met extra aandacht voor het functioneren van het netwerk.  

Evaluatie 

Voor de evaluatie is een referentiekader ontwikkeld met 10 normen voor de organisatie van een oncologisch (tumorspecifiek) zorgnetwerk. In het kader wordt uitgegaan van de 21 criteria uit het Koersboek oncologische netwerkvorming van de Taskforce Oncologie en is verder gebruik gemaakt van bestaande normen en standaarden binnen de oncologie.  

De evaluatie werd in drie fasen uitgevoerd aan de hand van het ontwikkelde referentiekader: 

  1. Raadplegen van documenten waarin de samenwerkingsafspraken (mogelijk) zijn vastgelegd. 
  2. Interviews met patiënten, medisch en verpleegkundig specialisten, huisartsen en managers om hun ervaringen met betrekking tot de samenwerking in kaart te brengen. 
  3. Analyse van data uit de Nederlandse Kanker Registratie (NKR) om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de longkankerzorg en de effectiviteit van de samenwerking.  

Resultaten

Uit de interviews kwam naar voren dat er veel vertrouwen is in elkaars handelen en motieven. Patiënten geven hoge cijfers voor de ervaren zorg en bejegening en ervaren dat de overdracht bij verwijzing naar een andere A.R.T.Z. instelling in het algemeen soepel verloopt. De evaluatie laat ook zien dat er op veel gebieden afspraken zijn gemaakt, maar deze op een aantal vlakken niet volledig zijn of ontbreken. De afstemming van zorgprocessen is bijvoorbeeld in de loop van de tijd vertraagd na een enthousiast begin. De invoering van een regionaal MDO liet om technische redenen op zich wachten, maar lijkt na invoering een duidelijke impuls te hebben gegeven aan de afstemming en uniformiteit in de behandeling. Ten tijde van het project kon dit niet worden onderbouwd, omdat de data uit de NKR over deze periode nog niet beschikbaar waren. In de praktijk is de afstemming en het contact tussen de netwerkpartners verbeterd, met name sinds de invoering van het regionaal MDO. Dat neemt niet weg dat de balans tussen de gewenste colour locale en de uniformering in een netwerk een aandachtspunt blijft.

Verbeterplan

Op basis van het evaluatierapport met daarin een aantal concrete verbeterpunten is door A.R.T.Z. een plan van aanpak geformuleerd. Anke Wind, projectleider A.R.T.Z.: ‘Zo hebben we met elkaar afgesproken structureel aandacht te besteden aan de afstemming in de zorgpaden, waarbij we periodiek een deel van het zorgproces onder de loep nemen en bediscussiëren. IKNL is een goede partner in het uitvoeren van dit soort evaluaties. Data uit de NKR bieden inzicht in de ontwikkeling van uitkomsten gedurende verschillende jaren, dus ook van de periode voor de totstandkoming van het netwerk. Verbetering van uitkomsten is niet één op één te linken met netwerkvorming, maar het geeft wel inzicht. De objectieve blik en de ervaring met visitaties van IKNL is belangrijk bij dit soort projecten.’  

Conclusies 

Het ontwikkelde referentiekader blijkt een goede kapstok voor het uitvoeren van een evaluatie van een oncologisch netwerk van deze omvang. Ten aanzien van de gekozen werkwijze bleken de interviews met patiënten waardevolle informatie op te leveren met betrekking tot mogelijke risico’s bij overdrachtsmomenten in de keten. Patiënten bleken zeer coöperatief en vonden het belangrijk om mee te werken. Verder is het van belang goed af te wegen hoeveel interviews met professionals en managers nodig zijn om voldoende informatie te verkrijgen. Huisartsen bleken moeilijk benaderbaar en de respons op gestelde vragen was gering.  

De NKR data hebben de netwerkpartners van A.R.T.Z. veel inzicht gegeven in de kwaliteit van zorg ten opzichte van elkaar en als netwerk ten opzichte van de rest van Nederland. Ook heeft het hen inzicht gegeven in veranderingen in de loop van de tijd. Omdat het vaak om geringe aantallen patiënten gaat, dient men echter voorzichtig te zijn met het trekken van conclusies. Daarnaast is het de vraag of geconstateerde verschillen te maken hebben met gemaakte samenwerkingsafspraken. De cijfers geven in ieder geval aanleiding tot verdere discussie tussen de bij longkankerzorg betrokken professionals binnen A.R.T.Z. 

De toegevoegde waarde van evalueren

Het evalueren van een oncologisch netwerk kan ervoor zorgen dat de samenwerking verbetert. Dat betekent overigens niet automatisch dat daarmee ook de geleverde oncologische zorg verbetert. Het referentiekader kan ook zijn waarde hebben bij het organiseren van een nieuw oncologisch netwerk. In 2020 volgt een publicatie waarin de pilot en het ontwikkelde referentiekader nader zijn uitgewerkt. 

Neem voor meer informatie contact op met René Limbeek of Nicol Groot Zevert.

 

Gerelateerd

Studie tyrosinekinaseremmers bij gevorderde niet-kleincellige longkanker

Studie naar tyrosinekinaseremmers bij gevorderde niet-kleincellige longkanker

Patiënten met gevorderde, niet-kleincellige longkanker (NSCLC) met een EGFR-mutatie hebben in Nederland na eerstelijnsbehandeling met tyrosinekinaseremmers een mediane algehele overleving van circa 20 maanden. De overleving is significant slechter bij mannen, oudere patiënten en bij uitzaaiingen in drie of meer organen. Hoewel behandeling met eiwitremmers bijdraagt aan een verlengde ziektevrije overleving, levert dit volgens de studie van Rolof Gijtenbeek (MC Leeuwarden) en collega’s beperkt voordeel op voor de algehele overleving.

lees verder

Minder dan 5% stadium IIIA NSCLC-patiënten kreeg neoadjuvante therapie

Minder dan 5% stadium IIIA NSCLC-patiënten kreeg neoadjuvante therapie

Tussen 2010 en 2016 werd slechts 4,5% van de patiënten met stadium IIIA niet-kleincellige longkanker (NSCLC) geselecteerd voor behandeling met neoadjuvante therapie gevolgd door een chirurgische resectie. Dat blijkt uit onderzoek van Pieter Joosten, Koen Hartemink (NKI-AvL) en collega’s. De absolute 5-jaarsoverleving van deze patiënten lag boven de 50%, wat relatief hoog is in vergelijking met recente fase-III-trials. In verband met mogelijke overstadiëring wordt overschatting niet uitgesloten.

lees verder