Preoperatieve MRI leidt niet tot betere uitkomsten bij ductaal carcinoom in situ

Preoperatieve MRI, als aanvulling op conventionele beeldvorming van de borst, leidt niet tot betere uitkomsten van chirurgie bij patiënten met primair ductaal carcinoom in situ. Dat concluderen Kristien Keymeulen (Maastricht UMC) en collega’s op basis van een studie met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De kans op een borstamputatie was na een MRI zelfs twee keer zo hoog. Ook het risico op positieve resectiemarges na borstsparende chirurgie nam niet af na preoperatieve MRI. De onderzoekers benadrukken dat pas definitieve conclusies getrokken kunnen worden aan de hand van de uitkomsten van langetermijnstudies, waarin ook naar lokale controle van de tumor wordt gekeken.

In deze studie is onderzocht welke determinanten een rol spelen bij het maken van borst-MRI’s bij patiënten met ductaal carcinoom in situ (DCIS) in Nederland en of het gebruik van MRI invloed heeft op het percentage positieve resectiemarges en borstamputaties. Hiervoor werden alle vrouwen jonger dan 75 jaar geïdentificeerd in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) die tussen 2011 en 2015 zijn gediagnosticeerd met DCIS. Daarna werden multivariabele logistieke regressieanalyses uitgevoerd, gecorrigeerd voor incidentiejaar, leeftijd, ziekenhuistype, DCIS-graad en multifocaliteit.

Opzet en resultaten

Uit de analyses blijkt dat in totaal 2.382 MRI’s zijn uitgevoerd bij 10.415 gevallen (10.173 patiënten) van DCIS (22,9%). Multivariabele analyse toonde aan dat patiënten jonger dan 50 jaar, patiënten met een gemiddelde of hoge graad van DCIS en patiënten met multifocale ziekte aanzienlijk meer kans hadden op het krijgen van een pre-operatieve MRI. Patiënten die een MRI-scan kregen, hadden meer kans op een borstamputatie, hetzij als eerste chirurgische behandeling of na een eerdere borstsparende ingreep (odds ratio 2,11; 95% betrouwbaarheidsinterval 1,91 tot 2,33).

Het risico op positieve resectiemarges na borstsparende chirurgie was vergelijkbaar voor patiënten met MRI versus zonder MRI. Het percentage secundaire borstamputaties na borstsparende chirurgie was hoger bij patiënten met een MRI, vooral bij vrouwen jonger dan 50 jaar (odds ratio 1,94; 95% betrouwbaarheidsinterval 1,31 tot 2,89). Dit verhoogde risico was niet afhankelijk van de gradering van DCIS.

Conclusie en aanbeveling

Kristien Keymeulen en collega’s concluderen op basis van deze studie dat het toevoegen van MRI aan de conventionele beeldvorming van de borst met mammografie niet leidt tot betere chirurgische uitkomsten bij patiënten met primair ductaal carcinoom in situ. De kans op een borstamputatie was na een preoperatieve MRI aanzienlijk hoger. Ook werd er geen vermindering waargenomen in het risico op positieve resectiemarges na borstsparende chirurgie. Voordat definitieve conclusies kunnen worden getrokken, is het raadzaam de resultaten van studies met grotere aantallen patiënten af te wachten over de impact van MRI op langere termijn op het ontwikkelen van lokale recidieven.

Nabeschouwing

De bevindingen in deze studie kunnen volgens de onderzoekers deels worden verklaard door het feit dat bij sommige patiënten uitgebreide, multifocale en multicentrische ziekten nauwkeuriger kunnen worden gedetecteerd met behulp van MRI, zodat patiënten die niet geschikt zijn voor een borstsparende operatie tijdig kunnen worden geïdentificeerd. Echter, bekend is dat preoperatieve MRI bij 17% tot 47% van de patiënten leidt tot een overschatting van de omvang van de laesie, waardoor de kans op onnodige borstamputaties toeneemt.

Ondanks deze beperking is MRI momenteel de meest nauwkeurige techniek voor het schatten van de grootte van ductaal carcinoom in situ. De belangrijkste reden waarom dit niet bijdraagt aan verbetering van de uitkomsten van chirurgie, is dat ductaal carcinoom in situ niet voelbaar is en dat de borst voornamelijk bestaat uit zacht en mobiel weefsel met slechts een paar anatomische structuren om op te richten. In de klinische praktijk worden diverse technieken gebruikt om chirurgen te helpen bij het lokaliseren van niet-voelbare laesies, zoals draadgeleide technieken en jodium-125-zaadjes. Het aanbrengen van deze markeringen in de borst gebeurt echter in een andere positie, waardoor het vinden van de exacte positie van ductaal carcinoom in situ tijdens de operatie lastig blijft.

Gerelateerd

Beoordelingsmethode mammogram niet van invloed op chirurgie

Zowel blinde als niet-blinde dubbele beoordeling van het screeningsmammogram leidt tot vergelijkbare chirurgische behandeling voor vrouwen met door screening ontdekte borstkanker of met intervalkankers. Dat blijkt uit een studie van radioloog Roy Weber (Catharina Ziekenhuis) en collega’s gepubliceerd in Annals of Surgical Oncology. Een uitzondering op deze bevinding zijn de grotere resectievolumes van borstsparende ingrepen bij patiënten met een door screening ontdekt ductaal carcinoom in situ en het hogere aandeel borstsparende chirurgie voor intervalkankers bij niet-blinde, dubbele beoordeling. In de discussie noemen de onderzoekers mogelijke verklaringen. 

lees verder