Betere overleving na chirurgie stadium IV primaire, inflammatoire borstkanker

Betere overleving na chirurgie stadium IV primaire, inflammatoire borstkanker

Chirurgie van de borsttumor bij primaire stadium IV inflammatoire borstkanker hangt samen met een verbeterde algehele overleving en zou dus onderdeel kunnen zijn van de behandelstrategie bij deze patiënten. Dat concluderen Dominique van Uden (Rijnstate Ziekenhuis, Arnhem) en collega’s. Het onderliggende mechanisme van dit effect is vooralsnog niet bekend. Ook zijn er nog allerlei onbeantwoorde vragen, zoals de kans op complicaties na chirurgie en de kwaliteit van leven van patiënten na of zonder chirurgie.

In diverse studies is onderzoek gedaan naar het effect van chirurgie bij patiënten met primaire uitgezaaide borstkanker, maar met tegenstrijdige conclusies over de bijdrage van chirurgie aan de overleving. In deze studies was inflammatoire borstkanker een exclusiecriterium, met als gevolg dat informatie over het effect van chirurgie bij primaire gemetastaseerde inflammatoire borstkanker schaars is. In deze studie is daarom de impact van resectie van primaire tumoren onderzocht op de algehele overleving in een grote populatie patiënten met stadium IV inflammatoire borstkanker.

Studieopzet

De onderzoekers verzamelden alle patiënten met stadium IV primaire, inflammatoire borstkanker die tussen 2006 en 2016 zijn gediagnosticeerd en opgenomen in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR), exclusief patiënten die geen behandeling hadden gekregen. Om te corrigeren voor verstoringen door vroegtijdig overlijden, werden eerst landmarkanalyses uitgevoerd met data van patiënten die minimaal zes maanden na de diagnose nog in leven waren.

Vervolgens werd met behulp van ‘propensity score matching’ een vergelijking gemaakt tussen patiënten die een operatie kregen van de primaire tumor versus patiënten die niet waren geopereerd. Ook werden multivariabele, proportionele Cox-risicoanalyses uitgevoerd om de relatie te bepalen tussen de behandelstrategie en de algehele overleving van beide patiëntengroepen.

Resultaten

Van de 580 patiënten die na de landmarkanalyse werden geïncludeerd, ontvingen 441 patiënten (76%) uitsluitend een niet-chirurgische behandeling en 139 patiënten (24%) een operatie (in 96% van de gevallen was dat een mastectomie). De mediane follow-up in de niet-chirurgische groep was 20 maanden en in de chirurgiegroep 29 maanden. 

Chirurgie hing in het niet-gematchte cohort onafhankelijk samen met een betere overleving (hazard ratio 0,56, 95% betrouwbaarheidsinterval 0,42-0,75). In het gematchte cohort (n= 202) hadden chirurgisch behandelde patiënten een betere overleving dan niet-chirurgisch behandelde patiënten. Ook multivariabele analyse in het gematchte cohort toonde aan dat chirurgie samenhangt met een betere overleving (hazard ratio 0,62, 95% betrouwbaarheidsinterval 0,44-0,87).

Conclusie en aanbevelingen

Dominique van Uden en collega’s concluderen dat patiënten met een primaire gemetastaseerde inflammatoire borstkanker die een verwijdering van de borsttumor kregen een betere overleving hebben. Hoewel resten van verstorende factoren en verstoringen door de ernst van de ziekte niet helemaal zijn uitgesloten, suggereren de uitkomsten van deze studie dat chirurgie samenhangt met een verbeterde algehele overleving en daarom mogelijk onderdeel zou kunnen zijn van de behandelstrategie bij patiënten met stadium IV primaire inflammatoire borstkanker.

De onderzoekers wijzen er ook op dat er nog diverse onbeantwoorde vragen zijn, waaronder de kans op complicaties na chirurgie en de kwaliteit van leven van patiënten met of zonder chirurgie. Daarom dienen de bevindingen van deze studie voorzichtig geïnterpreteerd te worden. Mogelijk kunnen de gebruikte data worden gebruikt als basis voor aanvullende, prospectieve studies naar het overlevingsvoordeel van chirurgie, performance status, aanwezigheid van comorbiditeiten, persoonlijke voorkeuren van deze patiënten en evaluatie van de kwaliteit van leven.

Implicaties klinische praktijk

Een van de sterke punten van deze studie is het gebruik van landmarkanalyses, waarbij alleen patiënten in de analyses zijn meegenomen die de eerste zes maanden na de diagnose hebben overleefd om te corrigeren voor verschillen in overlijden op korte termijn. Daardoor slaagden de onderzoekers er in een betrouwbaarder beeld te geven van de effecten van chirurgie en zijn de uitkomsten van deze studie relevant voor de huidige klinische praktijk. Mede omdat in deze studie gebruik is gemaakt van population-based data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR), gegevens van behandelingen in recente jaren (inclusief subtypen van borstkanker), en data van actuele systemische behandelingen (inclusief trastuzumab).

Echter, het onderliggende mechanisme waarom chirurgie invloed heeft op de algehele overleving van patiënten met primair gemetastaseerde inflammatoire borstkanker is nog steeds niet duidelijk. Aangezien bij inflammatoire borstkanker een hogere frequentie van circulerende tumorcellen optreedt, draagt chirurgie mogelijk bij aan reductie van de clusters circulerende tumorcellen die als voorspeller gelden voor de uitkomsten van behandeling bij uitgezaaide borstkanker.

 

 

Gerelateerd

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder

Toename radiotherapie bij patiënten in Nederland na een mastectomie

Het gebruik van radiotherapie bij patiënten met borstkanker is in Nederland tussen 2011 en 2015 toegenomen van 64% naar 70%. Deze stijging hangt voornamelijk samen met een toename van het aantal patiënten dat wordt bestraald na een mastectomie, concluderen Kay Schreuder (IKNL, Universiteit Twente, NABON) en collega’s. Wanneer naar de toepassing van radiotherapeutische behandelingen wordt gekeken, dan blijkt dat na een borstsparende operatie bijna alle patiënten (97,3%) radiotherapie krijgen tegenover iets meer dan een kwart (26,1%) na een mastectomie. Bij zowel borstsparende chirurgie als mastectomie hangt een lagere leeftijd en diagnose van een ER+-tumor samen met een hogere inzet van radiotherapie.

lees verder