Geen verschillen overleving na CRS + HIPEC met mitomycin C of oxaliplatin

Geen verschillen overleving na CRS + HIPEC met mitomycin C of oxaliplatin

Welke medicatie is beter bij cytoreductieve chirurgie en HIPEC-behandeling bij patiënten met colorectale synchrone peritoneale metastasen, mitomycine C of oxaliplatin? Checca Bakkers (Catharina Ziekenhuis, Eindhoven) en collega’s concluderen op basis van NKR-data dat er geen significante verschillen zijn in de langetermijnoverleving na HIPEC met mitomycine C of oxaliplatin. Een unieke studie naar wereldwijd de meest gebruikte medicatie, mede mogelijk doordat alle centra in Nederland hetzelfde behandelprotocol hanteren.

In Nederland bestaat beperkte variatie in de uitvoering van cytoreductieve chirurgie en hypertherme intraperitoneale chemotherapie (CRS + HIPEC) tussen de gespecialiseerde centra die patiënten met colorectale, peritoneale metastasen behandelen, uitgezonderd het gebruik van intraperitoneale medicatie. Dit biedt een unieke kans om verschillen in overleving te onderzoeken tussen wereldwijd de twee meest gebruikte HIPEC-middelen: mitomycine C en oxaliplatin.

Studieopzet

In deze population-based cohortstudie werden alle patiënten geïncludeerd met synchrone, colorectale peritoneale metastasen die tussen 2014 en 2017 een behandeling met CRS + HIPEC kregen. De gebruikte data waren afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De primaire uitkomstmaat was de algehele overleving. Het effect van de intraperitoneale medicatie op de algehele overleving werd onderzocht met multivariabele Cox-regressieanalyses.

Resultaten

Van de geïncludeerde patiënten (297) kreeg 60% mitomycin C (177) en 40% oxaliplatin (120). Alleen de lokalisatie van de primaire tumor verschilde tussen de twee groepen. In de groep met oxaliplatin kwam vaker een linkszijdige darmtumor voor (48% versus 33%). De algehele 1-jaarsoverleving na behandeling met mitomycin C was 85% versus 86% voor oxaliplatin. Voor de 2-jaarsoverleving was dit respectievelijk 62% versus 64% en voor de 3-jaarsoverleving 45% versus 54%.

De mediane algehele overleving was 46,6 maanden in de groep met oxaliplatin versus 30,7 maanden in de groep met mitomycin C. Hoewel de mediane algehele overleving iets hoger lijkt te zijn voor patiënten na behandeling met oxaliplatin, verdween dit verschil na multivariabele analyse met correctie voor mogelijk verstorende factoren. De keuze van de intraperitoneale medicatie had dus geen invloed op de overleving.

Conclusies en nabeschouwing

Checca Bakkers en collega’s concluderen dat  dat er geen significante verschillen zijn in de langetermijnoverleving na een HIPEC-behandeling met mitomycin C of oxaliplatin. Derhalve kan er geen voorkeur voor een van beide middelen worden uitgesproken en lijkt het gebruik van beide middelen (zoals in Nederland het geval is) gerechtvaardigd.

Hoewel kleine variaties tussen de diverse behandelcentra niet helemaal zijn uit te sluiten, is een sterk punt van deze studie de homogeniteit in selectie en behandeling van dit population-based cohort en het volgen van hetzelfde protocol door alle HIPEC-centra in Nederland. Enkele minpunten waren het ontbreken van gegevens over het optreden van recidieven, tijdstip van terugkerende ziekte en de uitgebreidheid van de peritoneale metastasen.

Toekomstig onderzoek

Omdat het effect van mitomycine C en oxaliplatin in theorie afhankelijk kan zijn van de peritoneale metastasen, wordt aanbevolen om deze in toekomstige studies mee te nemen. De onderzoekers merken in dit verband op dat zij geen grote verschillen verwachten tussen beide patiëntengroepen, omdat alle centra in Nederland hetzelfde protocol volgen bij de selectie van patiënten die in aanmerking komen voor CRS + HIPEC. Tot slot waren in dit studiecohort geen patiënten opgenomen met metachrone peritoneale metastasen. In toekomstige studies is daarom ook aandacht nodig voor metachrone peritoneale metastasen en idealiter ook gegevens over ziektevrije overleving, kwaliteit van leven en zorgkosten.

 

Gerelateerd

Adjuvante chemotherapie na resectie buikvliesuitzaaiingen dikkedarmkanker

Adjuvante chemotherapie na resectie buikvliesuitzaaiingen dikkedarmkanker

Patiënten met dikkedarmkanker met geïsoleerde synchrone buikvliesuitzaaiingen die na chirurgie adjuvante systemische chemotherapie krijgen lijken een betere algehele overleving te hebben dan patiënten die geen adjuvante systemische chemotherapie krijgen. Dat blijkt uit onderzoek van Koen Rovers (Catharina Ziekenhuis) en collega’s met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Gerandomiseerde trials zijn nodig om deze bevindingen te bevestigen, maar artsen zouden deze resultaten kunnen gebruiken bij klinische besluitvorming in overleg met hun patiënten.

lees verder

Aanzienlijke variatie ziekenhuizen in voorbehandeling bij endeldarmkanker

Aanzienlijke variatie ziekenhuizen in voorbehandeling bij endeldarmkanker

Tussen ziekenhuizen in Nederland bestaat aanzienlijke variatie in het geven van voorbehandeling bij endeldarmkanker voorafgaand aan een eventuele operatie. Dat blijkt uit een studie van Tijmen Koëter (Radboudumc) en collega’s. Deze verschillen werden waargenomen in alle risicogroepen. In ziekenhuizen die vaak neoadjuvante chemoradiotherapie geven aan patiënten met hoogrisico endeldarmkanker, werd een verbeterde algehele overleving gevonden. De onderzoekers pleiten voor implementatie van regionale tumorbesprekingen en verder onderzoek naar deze variatie.

lees verder