Incidentie & overleving van intestinaal en diffuus slokdarm- en maagcarcinoom

Incidentie & overleving van intestinaal en diffuus slokdarm- en maagcarcinoom

De incidentie en overleving van slokdarm- of maagadenocarcinoom verschilt naar gelang het histologische subtype van deze tumoren. De prognose van patiënten met een intestinale tumor is significant beter dan van lotgenoten met een diffuse tumor. Dat blijkt uit een landelijke studie van Rosa van der Kaaij (NKI-AvL, Amsterdam), waarin data van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) zijn gekoppeld.

Het doel van dit onderzoek was de trends in incidentie en overleving van diverse subtypen slokdarm- en maagadenocarcinoom in Nederland te onderzoeken volgens de Laurén-classificatie (intestinaal, diffuus en gemengde tumortypen).

Studieopzet

In de studie werden alle patiënten geïncludeerd die in Nederland tussen 1989 en 2015 zijn gediagnosticeerd met slokdarm- of maagadenocarcinoom. De onderzoekers ontwikkelden een syntax om de histologische subtypen te bepalen op basis van de pathologierapporten van het Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA). Deze resultaten werden vervolgens gekoppeld aan individuele gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Met behulp van de relatieve overleving werd de overleving geëvalueerd.

Resultaten

Het histologische subtype van de tumor kon bij 84,1% van de slokdarmadenocarcinomen (n= 18.691) en 83,5% van de maagadenocarcinomen (n= 32.312) worden vastgesteld. Hieronder bevonden zich 79% intestinale en 21% diffuse slokdarmadenocarcinomen en respectievelijk 55% intestinale en 44% diffuse maagadenocarcinomen. Bij beide tumorsoorten werd 1% van de gemengde typen gevonden.  

De relatieve, mediane overleving van patiënten met een intestinale tumor was langer dan van patiënten met een diffuse tumor, namelijk 12,1 versus 9,4 maanden bij slokdarmkanker respectievelijk 10,1 versus 7,6 maanden bij maagkanker. In de periode 1989 – 2015 nam de relatieve, mediane overleving van patiënten met niet-gemetastaseerd intestinaal slokdarmadenocarcinoom toe van 12,0 naar 30,0 maanden en bij het diffuse type van 12,0 naar 19,2 maanden. Patiënten met een niet-gemetastaseerd intestinaal slokdarmcarcinoom lijken over de tijd gezien de meeste vooruitgang te hebben geboekt op basis van introductie van multimodale therapie.

Bij patiënten met intestinaal maagadenocarcinoom zagen de onderzoekers een vergelijkbare trend. Bij deze patiënten nam de relatieve, mediane overleving toe van 22,8 naar 27,6 maanden, maar bij patiënten met diffuus maagadenocarcinoom was de overlevingstoename beperkter, namelijk van 16,8 naar 18 maanden.

Conclusie en aanbevelingen

Rosa van der Kaaij en collega’s concluderen dat deze studie aantoont dat de incidentie en overleving van patiënten met histologische subtypen van slokdarm- en maagadenocarcinoom verschilt. De prognose van patiënten met het diffuse subtype is significant slechter vergeleken met lotgenoten met intestinale tumoren. Deze bevindingen geven aan dat gericht onderzoek naar aanvullende of alternatieve behandelingen voor deze patiënten (mogelijk) gerechtvaardigd is.

De onderzoekers signaleren verder dat het percentage diffuse maagcarcinomen tijdens de studieperiode is toegenomen en het aandeel intestinale maagtumoren vanaf 2011 oversteeg. Bij slokdarmkanker was eveneens een toename te zien, maar de meeste tumoren bleven van het type intestinaal. De toename van diffuus maagcarcinoom is ook waargenomen in Japan en de VS. Er zou dus sprake kunnen zijn van een verschuiving van het intestinale naar het diffuse subtype. De onderzoekers benadrukken dat deze trends voorzichtig geïnterpreteerd dienen te worden.

 

Gerelateerd

Laatste incidentiecijfers voor slokdarm-, maag- en HPB-tumoren

Steeds meer mensen kregen de afgelopen drie decennia een diagnose slokdarm-, alvleesklier- of leverkanker. Uitgedrukt in aantal diagnoses per 100.000 inwoners (ESR) en gecorrigeerd voor leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking, is de stijging minder uitgesproken. Dat toont dat toename van het aantal diagnoses van deze kankersoorten grotendeels te verklaren is door de gestegen leeftijd van de bevolking. Het aantal tumoren van galblaas en galwegen bleef nagenoeg stabiel, terwijl het aantal diagnoses van maagkanker is gedaald.

lees verder