potje medicatie

Levensverlengende 3e-lijnsbehandeling bij castratie-resistente prostaatkanker

Niet alle patiënten met uitgezaaide castratie-resistente prostaatkanker hebben baat bij derdelijnsbehandeling met levensverlengende medicatie. Met name patiënten behorend tot een subgroep met een hoog risico hebben een significant slechtere, mediane algehele overleving na derdelijnsbehandeling. Dat blijkt uit een studie van Jessica Notohardjo (Amsterdam UMC) en collega’s op basis van de CAPRI-registratie. De onderzoekers ontwikkelden een prognostisch model, waarmee vier verschillende risicogroepen onderscheiden kunnen worden.

De optimale sequentie van derdelijns levensverlengende medicatie (LPD) is nog grotendeels onbekend, maar er zijn aanwijzingen dat behandeling met abiraterone of enzalutamide na eerdere behandeling met een van beide middelen geen effect heeft vanwege kruisresistentie. Het doel van deze studie was het evalueren van de uitkomsten van derdelijnsbehandeling in een cohort patiënten met uitgezaaide castratie-resistente prostaatkanker uit de klinische praktijk, factoren te identificeren die samenhangen met de overleving van deze patiënten en het maken van een prognostisch model.

Studieopzet

De onderzoekers identificeerden alle patiënten met uitgezaaide castratie-resistente prostaatkanker in de CAPRI-registratie die voor 1 juli 2017 waren gediagnosticeerd met een progressieve ziekte na tweedelijnsbehandeling met levensverlengende medicijnen. Deze patiënten werden gevolgd tot 31 december 2017. De samenhang tussen potentiële risicofactoren en de overleving werd geëvalueerd met behulp van Cox-regressieanalyses na  meervoudige imputatie van ontbrekende waarden. Een voorspellende score werd berekend met behulp van de regressiecoëfficiënt en vervolgens gebruikt om patiënten in te delen in risicogroepen.

Resultaten

Van de 1.011 patiënten met een progressieve ziekte na tweedelijnsbehandeling, ontvingen 602 patiënten (60%) een levensverlengende derdelijnsbehandeling. Deze patiënten hadden een gunstiger prognostisch profiel bij initiële diagnose en een langere, mediane overleving (10,4 maanden) dan patiënten met de best mogelijke ondersteunende zorg zónder levensverlengende medicijnen (2,4 maanden).

Een slechtere overleving hing significant samen met de volgende kenmerken: ECOG-status 1 of 2 (hazard ratio (HR) 1,51), gebruik van opioïden (HR 1,55), uitzaaiingen naar de ingewanden (HR 2,09), hemoglobine <7 mmol/l (HR 1,44), PSA (HR 1,48), alkalinefosfatase 170 U/I (HR 1,52) en lactaatdehydrogenese (HR 1,44). Harrell's C-index was 0,74.

De mediane overleving voor de laagrisicogroep was 14 maanden, versus respectievelijk 7,7 maanden,  4,7 maanden en 1,8 maanden voor de laag-intermediair risicogroep, hoog-intermediair risicogroep en hoogrisicogroep. Patiënten in de hoogrisicogroep die een derdelijnsbehandeling kregen met levensverlengende medicatie hadden een kortere mediane overleving ten opzichte van patiënten met de best mogelijke ondersteunende zorg in laag- en laag-intermediaire risicogroepen.

Conclusie en aanbevelingen

Jessica Notohardjo en collega’s concluderen dat een derdelijnsbehandeling met levensverlengende medicatie mogelijk niet geschikt is voor alle patiënten met uitgezaaide castratie-resistente prostaatkanker; een conclusie die wordt ondersteund door de waargenomen korte mediane behandelduur en lage PSA-response. Op basis van een simpel prognostisch model kon een subgroep patiënten met hoog risico geïdentificeerd worden die geen baat heeft bij derdelijnsbehandeling met levensverlengende middelen. De bevindingen van deze studie op basis van retrospectieve data dienen nog gevalideerd te worden in prospectieve, klinische trials.

Over deze studie

Zover bekend is dit de eerste grote studie waarin gebruik is gemaakt van data uit de klinische praktijk afkomstig van een groot aantal ziekenhuizen waarin de uitkomsten zijn geëvalueerd van patiënten met uitgezaaide castratie-resistente prostaatkanker met progressie na tweedelijnsbehandeling. Door het retrospectieve ontwerp kent deze studie een aantal beperkingen. Zo was er geen informatie beschikbaar over eerder geïdentificeerde risicofactoren, deels omdat sommige laboratoriumwaarden zoals albumine niet standaard worden bepaald in de dagelijkse klinische praktijk. Deze zijn daarom niet meegenomen in het model.  

Bij veel patiënten ontbraken waarden van meerdere variabelen, vanwege het retrospectieve karakter van de studie. Een andere beperking was dat het effect van derdelijnsbehandeling op andere uitkomstmaten, zoals de kwaliteit van leven en kosteneffectiviteit, niet geëvalueerd zijn.

Gerelateerd

NKR monitort impact COVID-19-pandemie op uro-oncologische zorg

jonge man aan beeldscherm

Op dit moment wordt de reguliere zorg weer afgeschaald vanwege de tweede COVID-19-golf. Naast afname en uitstel van het aantal kankerdiagnoses zijn andere effecten op de oncologische zorg nog grotendeels onbekend. Welk effect heeft uitstel of aanpassing van de zorg op de uitkomsten van behandeling? Deze en andere vragen kunnen in de toekomst worden beantwoord op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR).

lees verder

Diagnose prostaatkanker heeft geen effect op overleving blaaskankerpatiënten

Ongeveer één op de vier mannen met blaaskanker die een cystoprostatectomie krijgt, wordt na pathologisch onderzoek van de prostaat gediagnosticeerd met prostaatkanker. Deze “toevallige” ontdekking heeft geen effect op de algehele overleving van blaaskankerpatiënten, zo blijkt uit onderzoek van Bo van Santvoort (IKNL) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Deze bevindingen suggereren dat het klinisch beleid van blaaskankerpatiënten met of zonder prostaatkanker niet zal verschillen en dat de prostaat daarom mogelijk niet meer uitgebreid onderzocht hoeft te worden na radicale cystoprostatectomie. Minder uitgebreid onderzoek van de prostaat kan bijdragen aan hogere efficiëntie en besparing op de zorgkosten.

lees verder