Pancreasadenocarcinoom: toename incidentie, geringe verbetering overleving

Pancreasadenocarcinoom: toename incidentie, geringe verbetering overleving

De incidentie van ductaal pancreasadenocarcinoom is tussen 1997 en 2016 toegenomen in Nederland. In deze periode verdubbelde het aandeel resecties, nam de sterfte na resectie af, en steeg het aandeel patiënten dat adjuvante of palliatieve chemotherapie kreeg. Echter, doordat een meerderheid van de patiënten uitsluitend ondersteunende zorg ontving, was de algehele overlevingsverbetering met circa drie weken verwaarloosbaar klein, aldus Anouk Latenstein (Amsterdam UMC) en collega’s.

In recente jaren zijn er nieuwe behandelopties bijgekomen voor patiënten met ductaal pancreasadenocarcinoom (PDAC), waaronder behandeling met medicijnen als FOLFIRINOX (5-fluorouracil, leucovorin, irinotecan en oxaliplatin). De impact van deze medicatie was tot dusver niet geëvalueerd in een landelijk studiecohort. Het doel van deze population-based studie was de landelijke incidentie, behandeling en overleving van ductaal adenocarcinoom van de alvleesklier te onderzoeken.

Studieopzet

De onderzoekers includeerden gegevens van patiënten met ductaal pancreasadenocarcinoom in de Nederlandse Kankerregistratie die tussen 1997 en 2016 zijn gediagnosticeerd. Ductaal pancreasadenocarcinoom is de meest voorkomende vorm van alvleesklierkanker. De uitkomsten van behandeling werden gecategoriseerd op basis van behandeling en periode van diagnose, 1997-2000, 2001-2004, 2005-2008, 2009-2012 en 2013-2016. De algehele overleving werd berekend met behulp van Kaplan Meier-analyses.

In totaal werden 36.453 patiënten met ductaal pancreasadenocarcinoom geïncludeerd. De incidentie steeg van 12,1 in de periode 1997-2000 naar 15,3 per 100.000 personen in de periode 2013-2016, terwijl de mediane algehele overleving toenam van 3,1 naar 3,8 maanden. Het percentage resecties verdubbelde over de tijd van 8,3% naar 16,6% en de sterfte na resectie daalde. Ook kregen significant meer patiënten adjuvante chemotherapie (van 3% naar 56% van de patiënten met resectie).

Overleving

De algehele 3-jaarsoverleving na resectie nam toe van 16,9% naar 25,4% bij patiënten met een gelokaliseerde ziekte. Over de tijd nam het percentage patiënten met een gemetastaseerde ziekte toe van 5,3% naar 16,1%, waarbij de 1-jaarsoverleving verbeterde van 13,3% naar 21,2%. Het aandeel patiënten dat uitsluitend ondersteunende zorg ontving daalde van 84% naar 61%.

De overleving verschilde naar gelang de lokalisatie van de tumor. Patiënten met een tumor in het centrale deel (lichaam) of staart van de alvleesklier hadden een slechtere overleving vergeleken met patiënten met een tumor in de kop van de alvleesklier. Door het ontbreken van vroege symptomen kan vertraging in de diagnostiek bij patiënten met een tumor in lichaam of staart een rol spelen, maar het lijkt dat tumoren in lichaam en staart van de alvleesklier vaker een agressievere biologie hebben.

Conclusies en aanbevelingen

Anouk Latenstein en collega’s concluderen dat de incidentie van ductaal pancreasadenocarcinoom de afgelopen decennia is toegenomen. Het aandeel resecties verdubbelde in deze periode, waarschijnlijk ten gevolge van centralisatie van chirurgische zorg met verbeterde verwijzing, betere chirurgische technieken en uitbreiding van de indicaties voor chirurgische resectie (uitgebreider tumoren, respons op chemotherapie, oudere patiënten). Dit zorgde voor een daling van postoperatieve complicaties en sterfte na resectie, waardoor het aantal patiënten dat geschikt was voor adjuvante therapie eveneens toenam. Deze ontwikkelingen zorgden samen, naast een bredere inzet van palliatieve chemotherapie, voor een verbetering van de overleving.

Echter, wanneer het algehele overlevingsbeeld van alle patiënten met ductaal pancreasadenocarcinoom in ogenschouw wordt genomen, is een extra overleving van circa drie weken verwaarloosbaar. Dit geringe effect kan volgens de onderzoekers worden toegeschreven aan het feit dat een meerderheid van deze patiënten uitsluitend ondersteunende zorg ontving, terwijl patiënten die wel enige vorm van tumorbehandeling kregen een toename in de overleving lieten zien. De stijging van het aantal patiënten met een uitgezaaide ziekte bij diagnose kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan introductie van verbeterde diagnostische mogelijkheden.

Gerelateerd

Studie naar verband locatie PDAC en tumorstadium, behandeling en overleving

Ductaal adenocarcinomen in de pancreas zijn vaak groter wanneer deze tumoren in het lichaam of de staart van de pancreas zijn gelokaliseerd. Ook zijn deze carcinomen vaker gemetastaseerd en minder vaak resectabel vergeleken met tumoren in de kop van de pancreas. Dat blijkt uit onderzoek van Felice van Erning en collega’s met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De overleving na resectie van PDAC is vergelijkbaar tussen alle drie de lokalisaties, terwijl de overleving van patiënten met gemetastaseerde ziekte iets lager is bij een PDAC in het lichaam of de staart van de pancreas.

lees verder

Grote variatie in verslaglegging chemotherapie in palliatieve fase

Er bestaat grote variatie in de documentatie van overwegingen van artsen om chemotherapie aan te bieden aan patiënten in de palliatieve of laatste levensfase. Die conclusie trekken Hilde Buiting (IKNL, AVL) en collega’s van IKNL, Antoni van Leeuwenhoek, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en Reinier de Graaf op basis van een studie waarin de medische dossiers van 147 patiënten met long- en alvleesklierkanker is onderzocht. Volgens de onderzoekers geven medische dossiers inzicht in de besluitvorming rondom systemische behandeling in de palliatieve en laatste levensfase, maar is aanvullend onderzoek nodig om na te gaan op welke wijze deze dossiers kunnen bijdragen aan het evalueren van de kwaliteit van het besluitvormingsproces.

lees verder