Subtype sterke prognostische factor bij stadium III inflammatoire borstkanker

24-05-2019
Bij patiënten met stadium III inflammatoire borstkanker zijn subtypes op basis van hormoonreceptoren HR en HER2 een belangrijke prognostische factor voor de respons op neoadjuvante chemotherapie en algehele overleving. Dat concluderen Dominique van Uden (Canisius Wilhelmina Ziekenhuis) en collega’s in een studie met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Na neoadjuvante chemotherapie hadden patiënten met het subtype HR+/HER2- de laagste kans op het verkrijgen van complete pathologische respons. Patiënten met het HR-/HER2- (triple negatief) subtype vertoonden de laagste algehele overleving, ook na een complete pathologische respons. Deze uitkomsten zijn zeer relevant voor de dagelijkse klinische praktijk.

Het doel van deze studie was het analyseren van de invloed van  op HR en HER2 gebaseerde subtypes bij patiënten met stadium III inflammatoir mammacarcinoom (een zeldzame en agressieve vorm van borstkanker) op de tumorkarakteristieken, behandeling, pathologische respons op neoadjuvante chemotherapie en algehele overleving. Het gaat hierbij om de grootste studie tot dusver waarin gebruik is gemaakt van data uit de NKR.

Opzet en resultaten

Patiënten met stadium III inflammatoire borstkanker die tussen 2006 en 2015 zijn gediagnosticeerd in Nederland werden door de onderzoekers ingedeeld in vier subtypes: HR+/HER2- , HR+/HER2+ , HR-/HER2+ , en HR-/HER2-. Vervolgens werden de patiënt-, tumor- en behandelkenmerken met elkaar vergeleken. Indien behandeling met neoadjuvante chemotherapie plaatsvond, dan werd de pathologische respons vergeleken tussen de subgroepen. De algehele overleving van de subtypes werd vergeleken met behulp van Kaplan-Meier-curves en log-rank-tests.

In de studie werden 1.061 patiënten geïncludeerd met stadium III inflammatoire borstkanker en onderverdeeld in de volgende subtypes: 453 patiënten met HR+/HER2- (42,7%), 258 met HR-/HER2- (24,3%), 180 met HR-/HER2+ (17,0%) en 170 patiënten met HR+/HER2+ (16,0%). In totaal ontvingen 679 patiënten (85,0%) neoadjuvante chemotherapie. Bij subtype HR-/HER2+ was het percentage patiënten met een volledige pathologische respons het hoogste (43%).

Een verbeterde overleving, gerelateerd aan een volledige pathologische respons, was zichtbaar bij alle subtypes, vooral bij patiënten met de subtypes HR+/HER2+ en HR-/HER2+. Trimodale therapie (neoadjuvante chemotherapie, chirurgie en radiotherapie) leidde tot een verbetering van de algehele 5-jaarsoverleving in tegenstelling tot patiënten die deze behandeling niet kregen: HR+/HER2- (74,9 versus 46,1%), HR+/HER2+ (80,4 versus 52,6%), HR-/HER2+ (76,4 versus 29,7%), HR-/HER2- (47,6 versus 27,8%).

Conclusie

Dominique van Uden en collega’s concluderen dat bij stadium III inflammatoire borstkanker subtypes op basis van hormoonreceptoren en HER2 een belangrijke prognostische factor zijn voor de respons op neoadjuvante chemotherapie en de algehele overleving. Patiënten met het HR+/HER2- subtype hadden de laagste kans op het bereiken van een complete pathologische respons na neoadjuvante chemotherapie. Patiënten met het HR-HER2- (triple negatieve) subtype vertoonden de laagste algehele overleving, ongeacht het bereiken van een pathologisch complete respons na neoadjuvante chemotherapie.

Impact klinische praktijk

Sterke punten van deze studie zijn onder andere de inclusie van een groot aantal patiënten uit de NKR, waaronder data van patiënten die behandeld zijn met de meest recente systemische therapieën (inclusief trastuzumab en endocriene behandelingen), en analyses van de invloed van trimodale therapie op de overleving van deze patiënten. Dit maakt de uitkomsten van deze studie zeer relevant voor de dagelijkse klinische praktijk. De onderzoekers wijzen daarbij op de kans dat de HR/HER2-status kan wijzigen na behandeling met neoadjuvante chemotherapie.

De onderzoekers noemen in de discussie ook een aantal beperkingen, waaronder het feit dat niet alle patiënten een behandeling kregen en het ontbreken van informatie waarom besloten is om geen (neo)adjuvante behandeling te geven. Verder ontbrak informatie over comorbiditeiten, waardoor mogelijk niet alle verstorende factoren geëlimineerd konden worden. Aan deze studie werkten mee specialisten en onderzoekers van Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (Nijmegen), IKNL, Universiteit Twente (Enschede), Radboudumc (Nijmegen) en Rijnstate Ziekenhuis (Arnhem).

volg ons: