Grote verschillen in Europa in overleving hematologische maligniteiten

30-11-2015

Van alle hematologische maligniteiten hebben patiënten met Hodgkin-lymfoom in Europa gemiddeld genomen de hoogste 5-jaarsoverleving. Patiënten met acute myeloïde leukemie hebben de slechtste overlevingskansen. Deze en andere conclusies staan te lezen in een publicatie van EUROCARE-5, een studie gebaseerd op gegevens van 89 kankerregistraties in 29 Europese landen, waaronder de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Volgens de onderzoekers is het aannemelijk dat vertraagde of verminderde toegang tot innovatieve en passende therapieën heeft bijgedragen aan de verschillen in overleving van hematologische maligniteiten in Europa.

In de eerste jaren van de 21e eeuw is er significante vooruitgang geboekt in de behandeling van patiënten met lymfoïde en myeloïde maligniteiten. De database van de EUROCARE-5 studie biedt de mogelijkheid om de impact van deze veranderingen per land in Europa te beoordelen. In deze studie worden schattingen gegeven van de overleving in Europa van hematologische maligniteiten geclassificeerd volgens de ‘International Classification of Diseases for Oncology 3’ per land, geslacht en leeftijdsgroep.

Opzet van de studie
De onderzoekers maakten een schatting van de relatieve overleving (gestandaardiseerd naar leeftijdsgroep) aan de hand van het volledige cohort aan volwassen patiënten (n = 625.000) dat tussen 2000-2007 is gediagnosticeerd en tot (minstens) eind 2008 is gevolgd. Informatie over de overleving van deze patiënten was afkomstig van 89 deelnemende kankerregistraties verspreid over 29 Europese landen. De gemiddelde overleving in Europa werd berekend als het gewogen gemiddelde van deze populatie op basis van specifieke schattingen per land.

Gemiddeld genomen is de 5-jaarsoverleving in Europa het hoogste voor Hodgkin-lymfoom (81% ; 40.625 patiënten) en het slechtste voor acute myeloïde leukemie (17% ; 57.026 patiënten). Daartussen zitten non-Hodgkin-lymfoom (59% ; 329.204 patiënten) , chronische myeloïde leukemie (53% ; 17.713 patiënten) en plasmaceltumoren (39%; 94.024 gevallen). De overleving was over het algemeen lager in Oost-Europa en het hoogst in Centraal- en Noord-Europa.

Grote verschillen in overleving
De grootste verschillen tussen landen (> 10%) werden waargenomen bij maligniteiten die hebben geprofiteerd van therapeutische vooruitgang, zoals chronische myeloïde leukemie, chronische lymfatische leukemie, folliculair lymfoom, diffuus grootcellig B-cellymfoom en multipel myeloom. Bij Hodgkin-lymfoom werden kleinere verschillen (<10%) waargenomen.

R. De Angelis en collega’s komen tot de conclusie dat het aannemelijk is dat vertraagde of verminderde toegang tot innovatieve en passende therapieën heeft bijgedragen aan de waargenomen verschillen tussen de Europese regio's en landen. De overleving per morfologische subtype is van belang voor het meten van de resultaten van behandeling van hematologische maligniteiten.

Om wetenschappelijk onderzoek naar de kwaliteit van zorg van hematologische maligniteiten te verbeteren, dient het verzamelen van gedetailleerde, klinische informatie prioriteit te krijgen, zo adviseren De Angelis en collega’s. In Nederland wordt aan deze aanbeveling al invulling gegeven door sinds 2014 een uitgebreide set van gegevens vast te leggen in de NKR voor alle hematologische maligniteiten.

  • De Angelis R, Minicozzi P, Sant M, Dal Maso L, Brewster DH, Osca-Gelis G, Visser O, Maynadié M, Marcos-Gragera R, Troussard X, Agius D, Roazzi P, Meneghini E, Monnereau A en de EUROCARE-5 Working Group: ‘Survival variations by country and age for lymphoid and myeloid malignancies in Europe 2000-2007: Results of EUROCARE-5 population-based study’.
  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl

volg ons: