Herindeling T3N0 niet-kleincellig longkanker TNM-7 versus TNM-8

18-12-2018

De uitkomsten van behandeling van subgroepen patiënten met niet-kleincellig longkanker (chirurgisch stadium pT3N0) verschilt aanzienlijk. Bij de overgang van de TNM-7 classificatie naar TNM-8 is de indeling aangepast, maar de nieuwe indeling sluit niet goed aan bij de resultaten in Nederland. Uit onderzoek van Hans Blaauwgeers (OLVG, Amsterdam) en collega’s blijkt dat patiënten met een tumordiameter van meer dan 7 cm in combinatie met pariëtale pleurale invasie (zogeheten ‘gemengde groep’) een aanzienlijk slechtere 3- en 5-jaarsoverleving hebben vergeleken met patiënten met uitsluitend een tumordiameter van meer dan 7 cm, of met pleurale invasie of met ‘afzonderlijke tumoren in dezelfde lob’.

Het doel van deze studie was de uitkomsten van behandeling te onderzoeken bij patiënten met niet-kleincellig longkanker (chirurgisch stadium pT3N0) met behulp van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR), waarbij een vergelijking is gemaakt tussen de stadiëring volgens de TNM-7 versus TNM-8-classificatie.

Opzet

De onderzoekers identificeerden alle patiënten met niet-kleincellig longkanker (stadium pT3N0M0 volgens TNM-7) in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) die tussen 2010 tot 2013 een chirurgische behandeling kregen. Deze gegevens werden gekoppeld aan data uit de landelijke pathologiedatabank (PALGA). Vervolgens werden deze patiënten ingedeeld in vier grote subgroepen, namelijk met een ‘tumordiameter >7 cm’; met ‘afzonderlijke tumoren in dezelfde lob (2e+ knobbel)’; met ‘pariëtale pleurale invasie’ en een ‘gemengde groep die hoofdzakelijk bestond uit tumoren met een diameter van >7 cm gecombineerd met pariëtale pleurale invasie’.

Resultaten

In totaal kwamen 683 patiënten in aanmerking voor opname in de analyses. De absolute 3- en 5-jaarsoverleving van patiënten met het subtype ‘tumordiameter >7 cm’ was 60% respectievelijk 47%. Deze overlevingscijfers waren vergelijkbaar met patiënten met het subtype ‘pleurale invasie’, namelijk 50% respectievelijk 45%. Patiënten in de ‘gemengde groep' hadden een duidelijk slechtere 3- en 5-jaarsoverleving van respectievelijk 38% en 29%. Deze uitkomsten waren vergelijkbaar met de resultaten van patiënten met stadium IIIB en pT4 volgens de TNM-8-classificatie in de databank van de International Association for the Study of Lung Cancer (IASLC). 

Voor patiënten met het subtype ‘afzonderlijke tumoren in dezelfde lob’ lag de absolute 3- en 5-jaarsoverleving op 71% respectievelijk 63%, waarbij patiënten met een adenocarcinoom een significant betere algehele 5-jaarsoverleving lieten zien (65%) in vergelijking met patiënten met een plaveiselcelcarcinoom (47%). Dit suggereert volgens de onderzoekers dat de prognose voor de subgroep patiënten met adenocarcinoom vergelijkbaar is met die van patiënten in de pT2-categorie, terwijl plaveiselcelcarcinoom tot stadium pT3 kan blijven behoren.

Conclusies

Hans Blaauwgeers en collega’s concluderen dat de uitkomsten van deze population-based analyse suggereren dat histologie een relevante descriptor is voor de absolute overleving van patiënten met meerdere niet-kleincellige longtumoren in dezelfde lob (2e+ knobbel). De bevindingen in deze studie leveren géén steun voor het migreren van tumoren met een tumordiameter van >7 cm naar de pT4-categorie in TNM-8.

De uitkomsten suggereren wél dat een combinatie van twee pT3-descriptoren ofwel patiënten uit de ‘gemengde groep’ met een tumordiameter >7 cm gecombineerd met pariëtale pleurale invasie, wel gemigreerd dienen te worden naar pT4. Met de introductie van nieuwe therapieën neemt de relevantie van een goede classificatie toe en daarom dienen dergelijke bevindingen volgens de onderzoekers in internationale studies meegewogen te worden.

Verklaring verschillen

De verschillen tussen de uitkomsten van de IASLC-studie en deze studie is wellicht te verklaren door een verschil in samenstelling van beide cohorten. Zo kwam bijvoorbeeld een meerderheid (79%) van de pT3N0-patiënten in de IASLC-database uit Azië. Hoewel de etnische gegevens in het NKR-cohort onbekend zijn, had in 2016 minder dan 1% van de inwoners van Nederland een Aziatische achtergrond. Extrapolatie zou resulteren in 5-6 patiënten in het NKR-cohort met een Aziatische achtergrond. Om die reden is de NKR-populatie waarschijnlijk representatiever voor de Europese / westerse bevolking dan het cohort uit de IASLC-database. Volgens de onderzoekers is niet uitgesloten dat etniciteit invloed heeft op de overlevingsresultaten per TNM-stadium. Ook dit aspect dient daarom meegenomen te worden in toekomstige, internationale studies.


volg ons: