Inzet genexpressietest ligt deels buiten indicatiegebied richtlijn borstkanker

Genexpressieprofielen worden relatief vaak gebruikt in Nederland om de besluitvorming rond adjuvante chemotherapie te ondersteunen bij patiënten met een vroeg stadium van borstkanker, hoewel dat niet in alle gevallen wordt aanbevolen in oncologische richtlijnen. Dat blijkt uit onderzoek van Kay Schreuder (IKNL) en collega’s. Ook stellen zij vast dat de uitslag van genexpressieprofielen niet altijd wordt nageleefd. Dit duidt op de behoefte aan reproduceerbare en objectieve instrumenten om deze besluitvorming beter te kunnen onderbouwen.

In Nederlandse richtlijnen worden genexpressieprofielen als mogelijkheid aangegeven voor patiënten met vroege borstkanker met een positieve oestrogeenreceptor bij wie het voordeel van chemotherapie onzeker is op basis van enkel traditionele, prognostische factoren. Een hoog risico op het genexpressieprofiel  pleit voor toediening van chemotherapie. 

Het doel van deze studie was het gebruik en het effect van genexpressieprofielen te beoordelen bij het verstrekken van adjuvante chemotherapie aan patiënten met borstkanker die volgens landelijke richtlijnen een duidelijke indicatie hebben om wel of juist géén adjuvante chemotherapie (klinisch hoog of laag risico op het ontwikkelen van metastasen) te krijgen. Deze groep patiënten valt dus buiten het indicatiegebied van een genexpressieprofiel en zou op basis van de traditionele prognostische factoren al een duidelijk beleid hebben.

Studieopzet en resultaten
Voor het onderzoek werden patiënten geselecteerd in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) met een (volgens de Nederlandse borstkankerrichtlijnen) klinisch laag of hoog risico die tussen 2011 en 2014 zijn gediagnosticeerd. De invloed van genexpressieprofielen en uitkomsten van genetisch onderzoek op het verstrekken van adjuvante chemotherapie werd door de onderzoekers geëvalueerd met logistische regressie-analyses.

In totaal werden 26.425 patiënten geïdentificeerd in de NKR. Bij 4,8% van de patiënten met een klinisch laag risico (444/9.354) en 7,5% van de patiënten met een klinisch hoog risico (1.281/17.071) werd het genexpressieprofiel bepaald. Het gebruik van genexpressieprofielen bleek samen te hangen met een significant verhoogde kans op het krijgen van chemotherapie bij patiënten met een klinisch laag risico. Bij patiënten met een klinisch hoog risico hing de inzet van genexpressieprofielen samen met een lagere frequentie van het geven van chemotherapie. De naleving van de uitslag van de genexpressietest was hoger bij patiënten met een hoog risico en een conflicterende uitslag (72%) in vergelijking met patiënten met een klinisch laag risico en een conflicterende uitslag (52%).

Conclusie en aanbevelingen
Kay Schreuder en collega’s concluderen dat genexpressieprofielen relatief vaak in Nederland worden gebruikt om besluitvorming rond adjuvante chemotherapie te ondersteunen, hoewel in oncologische richtlijnen duidelijke aanbevelingen staan voor het wel of niet geven van chemotherapie. Verder stellen zij vast dat de naleving van de uitslag van genexpressietesten beperkt is bij patiënten met een laag of hoog risico, terwijl het gebruik van genexpressieprofielen een significante invloed heeft op de besluitvorming rondom chemotherapie. Dit duidt volgens de onderzoekers op de behoefte onder clinici aan reproduceerbare en objectieve instrumenten om hun besluitvorming beter te onderbouwen.

Mogelijke verklaring
In de discussieparagraaf worden een aantal mogelijke oorzaken genoemd voor het niet naleven van de uitslag van genexpressieprofielen. Een verklaring kan volgens de onderzoekers zijn dat de uitslag wordt genegeerd op verzoek van de patiënt omdat hij of zij chemotherapie wil vermijden. Een andere, mogelijke verklaring kan zijn dat clinici steun zoeken voor het afwijken van richtlijnen om chemotherapie te adviseren of juist te vermijden. De uitkomsten van de MINDACT-trial zullen waarschijnlijk een bijdrage leveren aan de motivatie om genexpressieprofielen te gebruiken bij patiënten met een hoog risicoprofiel en kan mogelijk ook leiden tot een betere naleving van de testuitslag bij patiënten met een klinisch laag risico. 

•    Schreuder K, Kuijer A, Rutgers EJT, Smorenburg CH, van Dalen T, Siesling S: ‘Impact of gene-expression profiling in patients with early breast cancer when applied outside the guideline directed indication area’. Eur J Cancer. 2017 Aug 23;84:270-277. 
•    Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl

Gerelateerd

Bevolkingsonderzoeken: hoge deelnametrouw en vroege opsporing

Bevolkingsonderzoeken: hoge deelnametrouw en vroege opsporing

IKNL verzorgt in opdracht van het RIVM de monitoring van de bevolkingsonderzoeken naar darm-, borst- en baarmoederhalskanker met als doel de kwaliteit van deze screenings te bewaken en waar nodig te verbeteren. Uit deze monitoring blijkt onder andere dat deze bijdragen aan vroege opsporing van kanker en dat de deelnamegraad hoog is. Dit duidt op een hoog vertrouwen in deze bevolkingsonderzoeken.

lees verder

Digitale en analoge mammografie leveren vergelijkbare resultaten op

Digitale mammografie levert vergelijkbare aantallen screen-gedetecteerde kankers en intervalkankers op als de voorheen gebruikelijke analoge mammografie. Ook zijn er geen signalen van toename van laaggradig ductaal carcinoom in situ. Digitale mammografie kan echter na de eerste screening wel leiden tot een hoger aantal vrouwen dat wordt doorverwezen voor nader onderzoek en een lagere, positief voorspellende waarde. Dit concluderen Linda de Munck (IKNL) en collega’s in het British Journal of Cancer. De studie is gebaseerd op gegevens van ruim 900.000 mammogrammen van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker aangevuld met data van patiënten uit de NKR. 

lees verder