Niet-chirurgische therapieën reduceren risico op regionaal recidief borstkanker

Niet-chirurgische therapieën reduceren risico op regionaal recidief borstkanker

Radiotherapie als onderdeel van een borstsparende behandeling, chemotherapie en hormonale therapie reduceren elk het risico op een regionaal recidief met minstens de helft bij vrouwen met primaire borstkanker en een negatieve uitslag van de schildwachtklierprocedure. Dat blijkt uit onderzoek van Julia van Steenhoven (Diakonessenhuis Utrecht) en collega’s. Deze bevindingen bieden een verklaring voor de discrepantie tussen het aandeel vals-negatieve biopsieën en kans op een regionaal recidief bij deze groep patiënten.

Patiënten met borstkanker hebben zelden te maken met een regionaal recidief, ondanks de potentiële aanwezigheid van restanten van lymfekliermetastasen na een negatieve of positieve schildwachtklierbiopsie. Het doel van deze studie was het kwantificeren van het effect van niet-chirurgische behandelingen op de incidentie van regionale recidieven bij borstkankerpatiënten met een negatieve uitslag van de schildwachtklierbiopsie (N0).

Studieopzet

De onderzoekers selecteerden alle patiënten in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) die tussen 2005 en 2008 zijn gediagnosticeerd met primair stadium SLNB N0 borstkanker plus gegevens over het optreden van recidieven gedurende een follow-up van vijf jaren. De cumulatieve incidentiefunctie voor regionale recidieven werd berekend als de eerste gebeurtenis na vijf jaar, waarbij rekening is gehouden met elke andere, eerste gebeurtenis als concurrerend risico (optreden van lokale of afstandsmetastasen, contralaterale borstkanker of overlijden).

Met Cox-regressieanalyses werd het oorzaak-specifieke risico op het ontwikkelen van een regionaal recidief gemodelleerd. Hierbij werd de eerste gebeurtenis aangehouden om het effect te kwantificeren van adjuvante, systemische therapie en volledige bestraling van de borst op de incidentie van regionale recidieven na vijf jaar.

Resultaten

In totaal werden 13.512 patiënten in de studie geïncludeerd. Van deze patiënten ontwikkelden 162 patiënten een regionaal recidief. De cumulatieve incidentiefunctie van regionale recidieven na vijf jaar was 1,3% (95% betrouwbaarheidsinterval 1,1-1,5%) respectievelijk 4,4% voor overlijden en 9,5% voor andere gebeurtenissen (lokaal recidief, afstandsmetastase of contralaterale borstkanker). Cox-regressieanalyses toonden de volgende hazard ratio’s aan voor een regionaal recidief: 0,46 na radiotherapie als onderdeel van borstsparende behandeling; 0,31 na chemotherapie en 0,40 na hormonale therapie.

Conclusie en interpretatie

Julia van Steenhoven en collega’s concluderen dat radiotherapie als onderdeel van een borstsparende behandeling, chemotherapie en hormonale therapie een onafhankelijk, reducerend effect hebben op het risico om een regionaal recidief te ontwikkelen bij patiënten met primaire borstkanker met een negatieve uitslag (N0) van de schildwachtklierbiopsie. Alle drie genoemde behandeling reduceren het risico op een regionaal recidief met minstens de helft.

De uitkomsten van deze studie kunnen volgens de onderzoekers bijdragen aan het verklaren van de geobserveerde discrepantie tussen het aandeel vals-negatieve schildwachtklierbiopsieën en regionale recidieven bij deze patiëntengroep, waarbij rekening wordt gehouden met de bevindingen van de NSABP-04 trial. De uitkomst van deze trial was dat restanten van lymfekliermetastasen bij patiënten met stadium N0 niet automatisch leiden tot een klinisch detecteerbaar regionaal recidief; zelfs bij afwezigheid van een van de drie hierboven genoemde therapieën.

Wanneer het effect van de niet-chirurgische behandelingen wordt geëxtrapoleerd naar SLNB N+ patiënten, dan kunnen de bevindingen van deze studie zelfs bijdragen aan een beter begrip van de discrepantie tussen het relatief hoge percentage patiënten met additionele axillaire metastasen naast de schildwachtklier (27%) en het lage percentage geobserveerde regionale recidieven (1,5%) wanneer een okselklierdissectie achterwege wordt gelaten.

Gerelateerd

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder

Toename radiotherapie bij patiënten in Nederland na een mastectomie

Het gebruik van radiotherapie bij patiënten met borstkanker is in Nederland tussen 2011 en 2015 toegenomen van 64% naar 70%. Deze stijging hangt voornamelijk samen met een toename van het aantal patiënten dat wordt bestraald na een mastectomie, concluderen Kay Schreuder (IKNL, Universiteit Twente, NABON) en collega’s. Wanneer naar de toepassing van radiotherapeutische behandelingen wordt gekeken, dan blijkt dat na een borstsparende operatie bijna alle patiënten (97,3%) radiotherapie krijgen tegenover iets meer dan een kwart (26,1%) na een mastectomie. Bij zowel borstsparende chirurgie als mastectomie hangt een lagere leeftijd en diagnose van een ER+-tumor samen met een hogere inzet van radiotherapie.

lees verder