Praktijkvariatie in postoperatieve radiotherapie bij cN+ borstkanker

Bij patiënten met stadium cT1-2N+ borstkanker is een substantiële afwijking van de studierichtlijn waargenomen ten aanzien van het geven van postoperatieve radiotherapie na primaire systemische therapie. Deze afwijking is vooral zichtbaar bij patiënten met een ypN1 na primaire systemische therapie mét of zónder okselklierdissectie, zo blijkt uit de RAPCHEM-studie.

De onderzoekers voerden een prospectieve cohortstudie uit naar het gebruik van radiotherapie (RAPCHEM, BOOG 2010-3) bij patiënten met borstkanker die een primaire behandeling kregen met systemische therapie gevolgd door chirurgie en postoperatieve radiotherapie.

Het doel van de studie was het evalueren van de locoregionale controle en ziektevrije overleving na primaire systemische therapie en mamma chirurgie, gevolgd door radiotherapie volgens vooraf gedefinieerde, consensus-based studierichtlijnen. In afwachting van de oncologische resultaten, werd in de huidige analyse onderzocht in hoeverre deze studierichtlijnen zijn nageleefd.

Studieopzet

Geïncludeerd werden patiënten met stadium cT1-2N+ borstkanker die tussen januari 2011 en januari 2015 werden behandeld in een van de zeventien deelnemende radiotherapiecentra in Nederland. Uitgesloten van deelname waren patiënten die op beeld vier of meer verdachte lymfeklieren hadden. De aanbeveling in de studierichtlijn was volledige borstbestraling voor patiënten bij borstsparende behandeling. De aanbevelingen voor loco(regionale) radiotherapie waren in de studierichtlijn gedefinieerd voor drie risicogroepen op basis van de okselklieren (ypN-status).

  • laag risico (ypN0): radiotherapie van de borst na borstsparende chirurgie, geen radiotherapie na mastectomie.
  • gemiddeld risico (ypN1): radiotherapie van borst of borstwand, axillaire klieren.
  • hoog risico (ypN2): radiotherapie van borst of borstwand, inclusief periclaviculaire lymfeklieren en in geval van weglaten van een okselklierdissectie tevens de axillaire klieren.

Resultaten

Van de 848 geïncludeerde patiënten, behoorden 292 vrouwen tot de laagrisicogroep, 374 tot de groep met een gemiddeld risico en 182 vrouwen tot de hoogrisicogroep. Over het geheel genomen, kreeg 64% van de patiënten een behandeling overeenkomstig de aanbevelingen in de studierichtlijn; 11% ontving minder dan het aanbevolen volume radiotherapie en 25% kreeg een uitgebreidere radiotherapie. De grootste variatie werd waargenomen in de groep met een gemiddeld risico; slechts 54% werd behandeld volgens de studierichtlijn.

Conclusie

Liesbeth Boersma en collega’s concluderen dat bij patiënten met stadium cN+ borstkanker een substantiële afwijking van de studierichtlijn wordt waargenomen bij het geven van postoperatieve radiotherapie na primaire systemische therapie, vooral bij patiënten met een gemiddeld risico (ypN1) mét of zónder okselklierdissectie. Om meer inzicht te krijgen in de noodzaak en het effect van radiotherapie en bestralingsvolumes is een vervolgstudie gepland, waarin aanvullende analyses uitgevoerd worden naar het recidiefpercentage in combinatie met de uitkomsten van de huidige, gerandomiseerde trial.

Discussie

De variatie  in de radiotherapie is volgens de onderzoekers deels te verklaren door uiteenlopende interpretaties in de wetenschappelijke literatuur. Daarin wordt soms regionale radiotherapie aanbevolen aan alle patiënten met stadium cN+ borstkanker, aangezien in trials (inclusief trials van de Early Breast Cancer Trialists’ Collaborative Group; EBCTCG) aanwijzingen zijn gevonden dat regionale radiotherapie in dat geval bijdraagt aan de borstkankerspecifieke overleving en in een aantal andere studies zelfs een verbetering van de algehele overleving bij patiënten met stadium cN+. 

Echter, in andere studies wordt geconcludeerd dat met de huidige, systemische therapieën de absolute recidiefrisico’s bij deze patiënten zodanig zijn gereduceerd dat ook het absolute voordeel van radiotherapie significant is gereduceerd. Ten tweede zijn de studierichtlijnen consensus-based, aangezien er nog geen duidelijk bewijs is voor het meest optimale radiotherapieschema.

 

Gerelateerd

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder

Borstsparende therapie bij T1-2N2 gelijk aan mastectomie & radiotherapie

Patiënten met stadium T1-2N2 borstkanker die borstsparende chirurgie aangevuld met radiotherapie krijgen, hebben een algehele, relatieve en afstandsmetastasevrije 10-jaarsoverleving die minstens gelijk is aan die van patiënten die mastectomie en radiotherapie kregen. Die conclusie trekken Marissa van Maaren (IKNL) en collega’s op basis van de eerste population-based studie naar het resultaat van beide behandelopties in deze specifieke patiëntengroep. De onderzoekers benadrukken dat deze uitkomst voorzichtig geïnterpreteerd dient te worden, maar geven tevens aan dat deze bevinding aansluit bij een eerdere studie gepubliceerd in The Lancet Oncology. Ze adviseren arts en patiënt om samen tot een goed besluit te komen, waarin de risico's en voordelen van beide behandelopties worden meegewogen.

lees verder