Slechtere prognose van baarmoederkanker met discordante risicostratificatie

Patiënten met baarmoederkanker met een hoog pre- en een laag postoperatief risico hebben een minder gunstige prognose in vergelijking met patiënten met een concordant laag risico. Dat zijn de belangrijkste bevindingen van een studie uitgevoerd door Florine Eggink (UMC Groningen) en collega’s naar overeenkomsten en verschillen tussen pre- en postoperatieve risicostratificaties. Volgens de onderzoekers onderstreept deze studie de onafhankelijke prognostische waarde van preoperatief, pathologisch onderzoek, waarvan de uitkomsten meegewogen dienen te worden in de klinische besluitvorming.

Baarmoederkanker is de meest voorkomende gynaecologische maligniteit in ontwikkelde landen waarmee circa één op de 37 vrouwen te maken krijgt. Bij patiënten met een laag-risico vorm van baarmoederkanker wordt volledige, chirurgische verwijdering van de baarmoeder aanbevolen. Patiënten met een hoog-risico vorm van baarmoederkanker krijgen daarnaast aanvullend een lymfadenectomie en/of  adjuvante therapie. Adjuvante therapie omvat gewoonlijk vaginale brachytherapie of uitwendige bestraling, soms aangevuld met chemotherapie. Met preoperatieve risicostratificatie op basis van baarmoederweefselonderzoek bepaalt de chirurg wat de omvang van een operatieve behandeling moet zijn. In deze studie zijn de overeenkomsten onderzocht tussen pre- en postoperatieve risico-stratificaties en de impact op verschillen in de overleving.
 

Opzet en resultaten
De onderzoekers selecteerden voor dit onderzoek alle patiënten (n = 7.875) in de databank van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) die in de eerste zes maanden van de jaren 2005-2014 werden gediagnosticeerd met baarmoederkanker. Vervolgens konden zij bij 3.784 patiënten de pre- en postoperatieve risico-stratificaties bepalen op basis van histologisch subtype en lymfeklierinvasie. Bij 10% van de patiënten werd een discordante risicostratificatie gevonden, van wie 4% (n = 155) een hoog pre- en laag postoperatief risico had en 6% (n = 215) een laag pre- en hoog postoperatief risico.

De algehele overleving van patiënten met een hoog en laag postoperatief risico was minder gunstig vergeleken met patiënten met een concordant laag risico (80% versus 89%). Dit verschil bleef significant zichtbaar na het corrigeren voor leeftijd, stadium, chirurgische stadiëring en adjuvante therapie. De overleving van patiënten met een laag pre- en hoog postoperatief risico verschillende niet met die van patiënten met een concordant hoog risico (64% versus 62%).

Conclusie en aanbeveling
Florine Eggink en collega’s concluderen op basis van deze studie dat patiënten met een hoog pre- en een laag postoperatief risico een minder gunstige prognose hebben in vergelijking met patiënten met een concordant laag risico. Deze uitkomsten onderstrepen volgens de onderzoekers de onafhankelijke prognostische waarde van het preoperatief verkregen en onderzochte monster. Deze informatie dient daarom opgenomen te worden in de klinische besluitvorming.

Zover bekend is dit de grootste population-based studie die ooit is uitgevoerd gericht op de concordantie van pre- en postoperatieve risicostratificatie op basis van stadium en histologische type van baarmoederkanker. Aan deze studie werkten mee specialisten en onderzoekers van UMC Groningen, VUmc (Amsterdam), Catharina Ziekenhuis (Eindhoven), St. Antonius Ziekenhuis (Nieuwegein), LUMC (Leiden), NKI-AvL (Amsterdam), Universiteit Groningen, Zuyderland Medisch Centrum (Heerlen/Sittard), IKNL, Maastricht UMC en Radboudmc (Nijmegen).

  • Eggink FA, Mom CH, Bouwman K, Boll D, Becker JH, Creutzberg CL, Niemeijer GC, van Driel WJ, Reyners AK, van der Zee AG, Bremer GL, Ezendam NP, Kruitwagen RF, Pijnenborg JM, Hollema H, Nijman HW en Van der Aa MA. ‘Less-favourable prognosis for low-risk endometrial cancer patients with a discordant pre- versus post-operative risk stratification’.

  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl

Gerelateerd

Incidentie en voorspellers buikvliesuitzaaiingen bij gynaecologische kanker

Incidentie en voorspellers buikvliesuitzaaiingen bij gynaecologische kanker

Uitzaaiingen naar het buikvlies komen vooral voor bij patiënten met eierstokkanker en treden zelden op bij vrouwen met baarmoeder en/of baarmoederhalskanker. Dat tonen Lara Burg (Radboudumc) en collega’s aan in een retrospectieve studie met NKR-gegevens van bijna 95.000 patiënten. Het histologische subtype (sereus en clear cell) blijkt de sterkste voorspeller te zijn voor het krijgen van buikvliesuitzaaiingen. Daarom wordt voorgesteld nieuwe therapieën te onderzoeken op basis van histologische subtypen.

lees verder