Centralisatie chirurgie heeft grotere impact op reistijd kwetsbare kankerpatiënt

Centralisatie van oncologische chirurgie heeft potentieel een grotere impact op de reisbelasting van kwetsbare kankerpatiënten, zoals ouderen en mensen met een lagere sociaaleconomische status. Dat blijkt uit een population-based studie van Simone Versteeg (EUR/Nivel) en collega’s van IKNL en Erasmus Universiteit. Hoewel volgens het onderzoek verdere centralisatie van oncologische chirurgie niet per se hoeft te leiden tot langere reisafstanden en reistijden, blijft de impact op kwetsbare patiënten een aandachtspunt. In de praktijk dient namelijk ook rekening gehouden te worden met extra reizen voor bijvoorbeeld chemo- en radiotherapie. De onderzoekers pleiten daarom voor een grondige beschouwing op de niet-klinische effecten van het centralisatiebeleid. 

In de afgelopen jaren zijn er steeds meer trends richting centralisatie van complexe, medische procedures, waaronder chirurgie bij patiënten met kanker. Bij het onderzoek naar de gevolgen hiervan wordt de impact op de reisbelasting van patiënten (grotere afstand naar ziekenhuis, langere reistijden en bijbehorende reiskosten) veelal genegeerd. In deze studie zijn de effecten van diverse centralisatiescenario’s voor chirurgie in kaart gebracht op de reisbelasting van patiënten met gastro-intestinale tumoren, in het bijzonder voor kwetsbare patiëntengroepen (ouderen en patiënten met een lagere sociaal economische status). 

De analyses omvatten alle chirurgisch behandelde patiënten in Nederland met colorectale, maag- of slokdarmkanker die tussen 2012-2013 zijn gediagnosticeerd. Op de eerste plaats werd door middel van simulaties de reisbelasting van individuele patiënten bepaald in zowel de werkelijke situatie, als in vier (gesimuleerde) hypothetische scenario's waarbij de mate van centralisatie differentieerde. Hierna is onderzocht of de potentiële effecten op de reisbelasting, verschillen tussen de diverse groepen patiënten.

Effecten van centralisatie

Vergeleken met de werkelijke reisbelasting namen de gesimuleerde reisafstanden niet noodzakelijkerwijs toe bij relatief 'conservatieve' scenario's. Mogelijk als gevolg van het feit dat nu reeds een aanzienlijk aantal patiënten niet naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis reist voor een operatie. Hoewel de exacte redenen hiervoor nog opgehelderd moeten worden, vermindert dit het potentiële effect van de centralisatiescenario's op de gemiddelde reisafstanden en reistijden van patiënten. Bij meer ‘extreme’ scenario’s zijn de reisafstanden bij sommige kankersoorten significant hoger voor oudere patiënten en mensen met een lagere sociaaleconomische status (SES). 

Hoewel centralisatie van behandelingen in een (zeer) beperkt aantal centra voor patiënten met frequent voorkomende kankersoorten geen houdbare optie lijkt te zijn, is een dergelijk scenario goed mogelijk en verdient het volgens sommigen de voorkeur bij zeldzame vormen van kanker. Voor deze ziekten kan bundeling van professionele expertise en beschikbaarheid van technische apparatuur naast schaal- en toepassingsvoordelen bijdragen aan het realiseren van betere zorg. Ook kunnen hogere behandelvolumes de mogelijkheden voor wetenschappelijk onderzoek vergroten. In het algemeen zal een hogere mate van centralisatie samenhangen met een toename van reisafstanden en dus ook reistijden van patiënten.

Conclusies en aanbevelingen

Simone Versteeg en collega’s concluderen dat, gelet op de potentiële impact van de reisbelasting op kwetsbare patiënten, een grondige beschouwing wenselijk is van de niet-klinische effecten van centralisatie bij het (toekomstig) centralisatiebeleid. Hoewel verdere centralisatie niet per definitie hoeft te leiden tot een hogere reisbelasting, tonen de resultaten van deze studie aan dat de effecten ongelijk verdeeld lijken te zijn over patiëntengroepen. Meer onderzoek hiernaar wordt sterk aanbevolen. 

In deze population-based studie lag het accent op reisbelasting van patiënten in relatie tot oncologische chirurgie. In toekomstig onderzoek dient ook rekening gehouden te worden met extra reisbelasting voor bijvoorbeeld radio- en chemotherapie die eveneens vaak gecentraliseerd plaatsvinden. Met name de schema’s van radio- en chemotherapie zijn doorgaans intensief en vereisen in de meeste gevallen frequent bezoek aan het ziekenhuis. Daarnaast kunnen onvoorziene complicaties eveneens leiden tot extra ziekenhuisbezoeken. 

Simone Versteeg heeft deze studie destijds uitgevoerd als student van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Ze werkt thans bij het Nivel.

Gerelateerd

Studie naar relevantie histologische subtypen op prognose appendixcarcinoom

Pathologisch onderzoek

Bij patiënten met een locoregionaal of niet naar het buikvlies gemetastaseerd appendixadenocarcinoom heeft het histologisch subtype van de tumor géén invloed op de prognose. Echter, bij patiënten met peritoneale metastasen is het mucineus subtype wél een gunstige prognostische factor ten opzichte van patiënten met het een niet-mucineus adenocarcinoom. Dat blijkt uit onderzoek van Laura Legué (Catharina Ziekenhuis, Eindhoven & IKNL) en collega’s. Deze uitkomsten bevestigen dat mucineuze en niet-mucineuze adenocarcinomen in de appendix verschillend zijn als het gaat om prognose en behandelmogelijkheden.

lees verder

Opmerkelijke variatie in chemotherapie bij uitgezaaide slokdarm-/maagkanker

Bij patiënten met uitgezaaide slokdarm- en maagkanker is een opmerkelijke heterogeniteit zichtbaar bij palliatieve eerstelijnsbehandelingen met systemische therapie in Nederland. Dat blijkt uit onderzoek van Willemieke Dijksterhuis (IKNL, Amsterdam UMC) en collega’s. Deze variatie is volgens de onderzoekers ongewenst, vooral als het gaat om ‘onconventionele’ behandelingen met drie verschillende middelen. Die leveren geen extra overlevingswinst op, maar wel meer toxiciteit. Daarom heeft chemotherapie met twee middelen de voorkeur. In toekomstige studies is meer aandacht nodig voor de kwaliteit van leven, prognostiek, selectie van patiënten en verdere personalisatie van behandelingen.

lees verder