Overleving patiënten met chronische lymfatische leukemie blijft nog stijgen

Overleving patiënten met chronische lymfatische leukemie blijft nog stijgen

De leeftijdgestandaardiseerde incidentie van chronische lymfatische leukemie is in Nederland tot 2003 geleidelijk blijven stijgen en bleef in de jaren daarna relatief stabiel. Dat blijkt uit onderzoek van Lina van der Straten (IKNL & Albert Schweitzer Ziekenhuis) en collega’s met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De relatieve overleving van deze patiënten vertoont nog steeds een opgaande lijn. De hoop is daarbij vooral gevestigd op bijdragen door nieuwe medicijnen, zoals kinaseremmers en pro-apoptotische middelen.

Chronische lymfatische leukemie is de meest voorkomende vorm van leukemie bij volwassenen in Westerse landen. Verbeterde diagnostiek, ontdekking in een vroeger stadium, evaluatie en verbetering van therapeutische mogelijkheden plus verbetering van ondersteunende zorg hebben de afgelopen decennia bijgedragen aan een geleidelijke toename van de levensverwachting en prevalentie van patiënten met chronische lymfatische leukemie. In deze landelijke studie zijn korte en lange termijntrends en de oversterfte geëvalueerd van patiënten met chronische lymfatische leukemie in de afgelopen 28 jaar in Nederland.

Studieopzet

De onderzoekers selecteerden alle patiënten met chronische lymfatische leukemie die tussen 1 januari 1989 en 31 december 2016 zijn gediagnosticeerd. De gebruikte data waren afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De relatieve overleving werd berekend voor vier perioden (1989-1995, 1996-2002, 2003-2008 en 2009-2016) en gemeten vanaf het moment van diagnose tot aan overlijden, emigratie of einde van de follow-up (wat het eerste van toepassing was). Trends in de relatieve overleving over de tijd en het relatief oversterfterisico werden geëvalueerd met behulp van multivariabele regressieanalyses.

Resultaten

In totaal werden de gegevens van 20.468 patiënten met chronische lymfatische leukemie geïncludeerd. De mediane leeftijd was 69 jaar (bereik 21 – 101 jaar) en 61% was man. De algehele leeftijdgestandaardiseerde incidentie nam in de loop van de tijd geleidelijk toe, maar bleef betrekkelijk stabiel vanaf 2003. Over de gehele studieperiode was het aandeel mannelijke patiënten consistent en dominant aanwezig. De leeftijdspecifieke incidentie nam sterk toe op hogere leeftijd. Bij patiënten in alle leeftijdsgroepen was een voortgaande oversterfte zichtbaar ten opzichte van de algemene bevolking gedurende alle studieperioden.

Desondanks verbeterde de relatieve overleving elke periode in alle leeftijdsgroepen. Multivariabele regressieanalyse bevestigde de verbetering van de relatieve overleving in alle leeftijdsgroepen in de meest recente periode (2009-2016) ten opzichte van de periode 2003-2008 en toonde een ongunstig prognostisch effect aan voor mannen tot een leeftijd van de 80 jaar en patiënten met een eerdere maligniteit voor de diagnose van chronische lymfatische leukemie. Deze waarneming komt overeen met en strekt zich verder uit ten opzichte van population-based studies in de Verenigde Staten, Duitsland, Denemarken en Zweden en wordt toegeschreven aan verbeteringen in ondersteunende zorg en behandelingen.

Conclusie en nabeschouwing

Lina van der Straten en collega’s concluderen dat de algehele leeftijdgestandaardiseerde incidentie van chronische lymfatische leukemie tot 2003 geleidelijk bleef stijgen en in de jaren daarna relatief stabiel bleef. Deze trend komt overeen met waarnemingen in Denemarken en Zweden. Wat betreft de relatieve overleving is er volgens de onderzoekers nog geen stabiel plafond bereikt, zodat het proces van oversterfte binnen deze patiëntenpopulatie helaas nog niet is bereikt. De hoop is gevestigd op onder meer kinaseremmers en pro-apoptotische middelen, hoewel de bijdrage van deze nieuwe medicijnen nog niet volledig kon worden geobjectiveerd in deze studie.

Mogelijke verklaringen

De waargenomen incidentietoename tot 2003 kan volgens de onderzoekers waarschijnlijk worden verklaard aan de hand van uiteenlopende factoren. Huisartsen en specialisten vragen mogelijk vaker routinematig een bloedonderzoek aan wat potentieel bijdraagt aan vroegere detectie van asymptomatische chronische lymfatische leukemie. Verder is de incidentie van chronische lymfatische leukemie mogelijk overschat, aangezien de meeste patiënten die voor 2008 zijn gediagnosticeerd met Rai-stadium 0 of 1 volgens de meest recente criteria geclassificeerd kunnen worden naar monoclonaal B-cellymfocytose.

Omgekeerd kan de incidentie ook zijn onderschat in vroegere perioden, aangezien chronische lymfatische leukemie meestal wordt gediagnosticeerd met flowcytometrie en de meeste kankerregistraties vertrouwen op informatie uit pathologieverslagen. Hoewel de NKR niet uitsluitend op pathologieverslagen is gebaseerd, kan het zijn dat asymptomatische chronische lymfatische leukemie in vroegere perioden (1989-2003) mogelijk is onderschat in de NKR.

 

Gerelateerd

Overleving oudere CML-patiënten blijft achter; ook in tijdperk van TK-remmers

Overleving oudere CML-patiënten blijft achter; ook in tijdperk van TK-remmers

De relatieve overleving van patiënten met chronische myeloïde leukemie (CML) is sinds 2001 significant verbeterd onder oudere patiënten in Nederland. Deze toename hangt zeer waarschijnlijk samen met de introductie en ruimere inzet van doelgerichte tyrosinekinase (TK)-remmers vanaf 2001. Dat neemt volgens Geneviève Ector (Radboudumc, IKNL) en collega’s niet weg dat de oversterfte onder oudere patiënten met CML nog steeds aanwezig is. Toekomstig onderzoek kan uitwijzen wat de achterliggende oorzaken zijn.

lees verder

Verschillen in Europa in overleving van hairy-cell-leukemie

Patiënten met hairy-cell-leukemie (HCL) hebben in Europa gemiddeld een hoge relatieve 5-jaarsoverleving. Toch verschilt de overleving tussen landen. Dit blijkt uit een onderzoek van Avinash Dinmohamed (IKNL) met gegevens van RARECAREnet. Deze database bevat gegevens van 94 kankerregistraties afkomstig van 27 Europese landen, waaronder de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De beperkte toegang tot passende behandelingen en ondersteunende maatregelen heeft volgens de onderzoeker waarschijnlijk bijgedragen aan de verschillen in overleving van HCL in Europa.

lees verder