IKNL-rapporten hemato-oncologie: van inzicht naar actie

09-07-2019
IKNL heeft in juli drie landelijke rapportages gepubliceerd, namelijk over diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL), multipel myeloom (MM) en folliculair lymfoom (FL). De rapportages geven inzicht in de geleverde zorg aan patiënten met deze hematologische maligniteiten. De inzichten kunnen medisch professionals, bestuurders en patiëntenorganisaties helpen de kwaliteit van de diagnostiek en behandeling van deze maligniteiten in Nederland te verbeteren.

Vanaf 2014 worden specifieke gegevens over de diagnostiek en behandeling van alle hematologische kankersoorten verzameld in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). In januari 2017 is voor het eerst een jaarrapportage met cijfers over diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) en multipel myeloom (MM) gepubliceerd over het diagnosejaar 2014. In april 2018 verscheen een update van deze rapportages met gegevens over 2015 en nu, in juli 2019, is de informatie over 2016 toegevoegd.

Voor folliculair lymfoom (FL) is deze uitgave de eerste landelijke rapportage over de diagnosejaren 2014-2016. De jaarrapportages beschrijven de incidentie, diagnostiek en eerstelijnsbehandeling en geven daarmee inzicht in de geleverde zorg aan patiënten. Hieronder een korte samenvatting van enkele opvallende resultaten.

Diffuus grootcellig B-cel-lymfoom

In deze rapportage is speciale aandacht besteed aan de berekening van de IPI-score en de mate waarin de behandelrichtlijn van 2014 werd gevolgd. De IPI-score is een waardevol instrument om de levensverwachting van een patiënt te schatten. De IPI-score was echter voor bijna de helft van de patiënten met DLBCL niet te berekenen, omdat de WHO-performance-score in het medisch dossier ontbrak. Het vastleggen van de WHO-performance-score is in de afgelopen drie jaren helaas niet verbeterd. Een aanbeveling is om deze score als standaard item op te nemen in het MDO-formulier.

WHO-score

Verdeling van de WHO-score bij patiënten met DLBCL in Nederland, 2014-2016.

Behandeling

In 2015 en 2016 werden patiënten iets minder volgens de vigerende richtlijn behandeld. Patiënten met DLBCL in de leeftijdscategorie 18-74 jaar kregen minder R-CHOP14 kuren dan patiënten die in 2014 zijn gediagnosticeerd in dezelfde leeftijdscategorie. Bij patiënten in de leeftijdscategorie ≥75 jaar werd nauwelijks R-CHOP14 toegepast. R-CHOP21 heeft in de dagelijkse praktijk de voorkeur, omdat dit schema, in vergelijking met R-CHOP14, zorgt voor betere ‘patient reported outcomes’. Verder kregen patiënten met stadium II-IV DLBCL in de leeftijdscategorie 18-74 jaar in die periode steeds vaker 6x R-CHOP21 in plaats van 8x R-CHOP21.

R-CHOP_grafiek_2014-2016
R-CHOP14 en R-CHOP21 in de eerstelijn naar leeftijd en diagnosejaar bij patiënten met DLBCL in Nederland, 2014-2016.

Multipel myeloom

Patiënten met multipel myeloom worden steeds vaker onderzocht op chromosoomafwijkingen. Het aantal keren dat cytogenetisch onderzoek werd gedaan, is gestegen van 49% in 2014 naar 63% in 2016. De aanwezigheid van chromosoomafwijkingen zegt iets over de prognose. Het al dan niet verrichten van cytogenetisch onderzoek tijdens de diagnostische fase wordt ook in regionaal verband besproken. In een regiorapportage worden deze NKR-data op regionaal niveau getoond. De regio wordt afgezet tegen het landelijk beeld, maar ook de verschillen tussen de ziekenhuizen binnen de betreffende regio zijn zichtbaar. Zonodig worden in regionaal verband afspraken gemaakt, onder andere over uniformering.

Patiënten tot 70 jaar met symptomatische MM werden in 2014 en 2015 conform de behandelrichtlijn van 2012 behandeld. Behandeling met VCD was het meest toegepaste inductieschema bij patiënten met symptomatische MM tot 70 jaar. Ook in 2016 werd de behandelrichtlijn gevolgd. De herziene richtlijn (2015) geeft de voorkeur aan VTD. Dat is ook terug te zien in de resultaten. In 2016 werden minder patiënten met VCD behandeld en meer patiënten met VTD.

Folliculair lymfoom

De overleving van patiënten met FL is aanzienlijk verbeterd sinds 1989, met name de langetermijnoverleving en vooral vanaf 2003. Deze verbetering is hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan de introductie van rituximab medio 2003. Patiënten met stadium I-II ziekte werden voornamelijk met radiotherapie behandeld (39%). De meeste patiënten met stadium III-IV-ziekte werden met R-CVP of R-CHOP behandeld (39% en 11%), met name wanneer er sprake was van een ongunstig risicoprofiel volgens de FLIPI.

hemato-oncologie_tabel
Tabel: Overzicht van individuele eerstelijnsbehandelingen bij patiënten met stadium I-II versus stadium III-IV in Nederland naar leeftijd bij diagnose, 2014- 2016.

Iets minder dan de helft van deze patiëntengroep werd niet behandeld binnen negen tot twaalf maanden na diagnose. Meer dan de helft van alle patiënten die met R-CVP werd behandeld, kreeg een onderhoudsbehandeling met rituximab. Bij patiënten die met R-CHOP werden behandeld, was dit ongeveer een derde.

Nieuwe uitgave in 2020

In het voorjaar van 2020 verschijnt een nieuwe uitgave van deze drie rapportages met informatie over het diagnosejaar 2017. Het voornemen is deze rapporten jaarlijks te updaten met telkens een nieuw diagnosejaar. In een later stadium worden dergelijke landelijke rapportages ook voor andere hematologische kankersoorten gemaakt.

 

 

volg ons: