Behandeling bot- en wekedelenkanker

In de Nederlandse Kankerregistratie worden gegevens verzameld over de behandelingen die onderdeel zijn van het initiële behandelplan gericht tegen de primaire tumor (primaire behandeling). 

Chirurgie vormt de belangrijkste behandeling van sarcomen. Bij radiotherapiegevoelige tumoren verkleint (neo-)
adjuvante radiotherapie het risico op een lokaal recidief. De meerwaarde van behandeling met systeemtherapie
als onderdeel van de primaire behandeling is afhankelijk van het subtype sarcoom.

Bij botsarcomen die zich beperken zich tot de primaire lokalisatie en niet zijn uitgezaaid naar nabijgelegen weefsels of andere delen van het lichaam, is chirurgie de meest voorkomende behandeling. Daarnaast kan bij sommige subtypes systemische therapie worden ingezet, bijvoorbeeld bij Ewing-sarcomen en osteosarcomen voorafgaand aan de operatie om het succes van de chirurgische ingreep te vergroten. Vooral bij osteosarcomen kan hiermee het risico op een recidief worden verminderd.

Bij wekedelensarcomen zonder uitzaaiingen is een operatie ter verwijdering van de hele tumor de standaardprocedure. Radiotherapie en/of systemische therapie kan gegeven worden om de kans op genezing te verhogen of het risico op een recidief te verkleinen. Radiotherapie wordt met name voorafgaand aan de operatie gegeven om de tumor te verkleinen. Elf procent van de patiënten met een wekedelensarcoom ontvangt geen behandeling (figuur 16a en 16b). Uit nadere analyse blijkt dat deze groep gemiddeld tien jaar ouder is dan patiënten die wel een tumorgerichte behandeling ontvangen. Ook het percentage patiënten met een gemetastaseerde ziekte ligt hoger in de groep die geen tumorgerichte behandeling ontvangt: 50% versus
12%. 

De behandeling van een GIST bestaat meestal uit een operatie (om de gehele tumor te verwijderen). Voor en / of na de operatie wordt ook doelgerichte systemische therapie gegeven, met name bij patiënten met een hoogrisico-GIST. Van de patiënten met een GIST ontvangt 8% geen (tumorgerichte) behandeling. Voor patiënten met een hoogrisico-GIST is dit 5%. Het gaat hierbij vooral om oudere patiënten en patiënten bij wie de ziekte vaker is uitgezaaid.