Verschil in respons chemotherapie bij lobulair versus ductaal carcinoom

Patiënten met een invasief lobulair mammacarcinoom die neoadjuvante chemotherapie krijgen toegediend, hebben minder kans op het krijgen van een borstsparende operatie en ook minder kans op een pathologisch complete respons dan patiënten met een invasief ductaal carcinoom. Dat blijkt uit een studie van drs. W. Truin (chirurg in opleiding, Máxima Medisch Centrum) en collega’s in het medische vakblad Annals of Surgical Oncology.

Deze studie werd uitgevoerd om de invloed van neoadjuvante chemotherapie te bepalen op de waarschijnlijkheid om een borstsparende operatie te ondergaan voor patiënten met een invasief lobulair mammacarcinoom (ILC) of invasief ductaal carcinoom (IDC). Hiervoor werden patiënten geïdentificeerd in de databank van de Nederlandse Kankerregistratie met één van beide diagnoses, gesteld in het tijdvak juli 2008 en december 2012.

Respons op neoadjuvante chemotherapie
In totaal kregen 466 patiënten met een invasief lobulair mammacarcinoom neoadjuvante chemotherapie aangeboden tegenover 3.622 patiënten met een invasief ductaal carcinoom. Een afname van de grootte van de tumor door neoadjuvante chemotherapie werd waargenomen bij 49,7% van de patiënten met een invasief lobulair mammacarcinoom en bij 69,6% van de patiënten met een invasief ductaal carcinoom. Een pathologisch complete respons (pCR) werd waargenomen bij 4,9% respectievelijk 20,2% van deze patiënten (p <0,0001).

Kans op borstsparende operatie
Een borstsparende operatie werd uitgevoerd bij 24,4% van de patiënten met een lobulaire tumor die neoadjuvante chemotherapie ondergingen versus 39,4% van de patiënten met een ductale tumor. In de groep patiënten met een invasief lobulaire tumor werd bij 8,2% van de patiënten na een borstsparende operatie een chirurgische reïnterventie uitgevoerd vanwege tumorpositieve resectievlakken, tegenover 3,4% van de ductale patiënten (P <0,0001). 

De lobulaire histologie was onafhankelijk geassocieerd met een hoger aantal mastectomieën (odds ratio 1,91; 95% betrouwbaarheidsinterval 1,49-2,44). Bij patiënten met een tumor groter dan 2 centimeter  werd vaker een borstsparende operatie uitgevoerd, zowel bij een invasief lobulair mammacarcinoom als invasief ductaal carcinoom, wanneer neoadjuvante chemotherapie was toegediend.

Effect neoadjuvante chemotherapie
Patiënten met een invasief lobulair mammacarcinoom die neoadjuvante chemotherapie kregen toegediend, hadden minder kans op een pathologisch complete respons en een kleinere kans op het ondergaan van een borstsparende operatie dan patiënten met een invasief ductaal carcinoom. Ten aanzien van een borstsparende operatie was het effect van neoadjuvante chemotherapie lager voor patiënten met een invasief lobulair mammacarcinoom dan voor patiënten die chirurgie ondergingen zonder neoadjuvante chemotherapie. 

Echter, ondanks het grote aantal te behandelen patiënten met het oog op het haalbaar maken van een borstsparende operatie, zal een klein deel van de patiënten met een invasief lobulair mammacarcinoom groter dan 2 centimeter nog steeds baat kunnen hebben bij neoadjuvante chemotherapie.

Gerelateerd

Niet-chirurgische therapieën reduceren risico op regionaal recidief borstkanker

Niet-chirurgische therapieën reduceren risico op regionaal recidief borstkanker

Radiotherapie als onderdeel van een borstsparende behandeling, chemotherapie en hormonale therapie reduceren elk het risico op een regionaal recidief met minstens de helft bij vrouwen met primaire borstkanker en een negatieve uitslag van de schildwachtklierprocedure. Dat blijkt uit onderzoek van Julia van Steenhoven (Diakonessenhuis Utrecht) en collega’s. Deze bevindingen bieden een verklaring voor de discrepantie tussen het aandeel vals-negatieve biopsieën en kans op een regionaal recidief bij deze groep patiënten.

lees verder

Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

lees verder