Studie naar incidentie bilaterale en unilaterale intervalborstkankers 2005-2015

Slechts een klein deel van alle intervalkankers (24/753) die tussen 2005-2015 zijn gevonden, behoort tot de synchrone, bilaterale intervalkankers. Dat blijkt uit een studie van Rob van Bommel (Catharina Ziekenhuis, Eindhoven) en collega’s, waarbij meer dan 450.000 mammografieën van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker in Zuid-Nederland plus medische dossiers zijn onderzocht. Hoewel het aandeel synchrone, bilaterale intervalkankers gering is, blijft zorgvuldige onderzoek van de contralaterale borst noodzakelijk om interval borstkankers vroegtijdig te ontdekken en een optimale behandeling mogelijk te maken.

Bekend is dat bilaterale borsttumoren die gedetecteerd zijn via screening met mammografie een ander pathologisch profiel hebben dan unilaterale tumoren. In deze studie is onderzoek gedaan naar de incidentie en kenmerken van bilaterale intervalborstkanker ten opzichte van unilaterale intervalborstkanker. Intervalkankers zijn tumoren die in de periode tussen twee ronden van het tweejaarlijkse bevolkingsonderzoek naar borstkanker worden gevonden. 

Opzet en resultaten 

De onderzoekers includeerden alle (n= 468.720) screeningsmammografieën van vrouwen die tussen januari 2005 en januari 2015 deelnamen aan het tweejaarlijkse bevolkingsonderzoek naar borstkanker in Zuid-Nederland. Van alle vrouwen die verwezen werden en van alle vrouwen die te maken kregen met een intervalkanker in de borst,  werd aanvullende informatie verzameld in de medische dossiers over mammografieën, biopsieresultaten en chirurgische ingrepen. Bij de vrouwen met een bilaterale intervalkanker werd de tumor met het hoogste stadium (de indexkanker) gebruikt voor de vergelijkingen met de vrouwen met unilaterale intervalkankers. 

In totaal werden 753 intervalkankers gevonden. Dit is omgerekend 0,16% van het totaal aantal vrouwen dat deelnam aan de screening tussen 2005-2015. Van deze 753 intervalkankers waren er 24 (3,2%) bilateraal. Onder de invasieve intervalkankers vertoonden de bilaterale kankers vaker een lobulaire histologie dan unilaterale kankers (37,5% (9/24) versus 16,1% (111/691).  

Verder is een trend zichtbaar in de richting van een groter aandeel bilaterale dan unilaterale intervalkankers met stadium I (45,8% (11/24) versus 27,8% (192/691)). De onderzoekers vonden geen andere, statistisch significante verschillen in tumorkarakteristieken. Het aandeel intervalkankers met significante, mammografische abnormaliteiten op de laatste mammografie was vergelijkbaar voor unilaterale en bilaterale intervalkankers (23% versus 25%). 

Conclusies en aanbevelingen 

Rob van Bommel en collega’s concluderen dat hoewel slechts een klein deel (3,2%) van alle intervalkankers in deze population-based studie bestond uit synchrone, bilaterale intervalkankers, zorgvuldig onderzoek van de contralaterale borst bij diagnose van een interval borstkanker noodzakelijk blijft om de diagnose vroegtijdig te stellen. Bilaterale intervalkankers hebben meer kans op invasieve lobulaire histologie, wat aangeeft dat dit subtype van borstkanker een diagnostische uitdaging blijft bij screeningsmammografie.

Zo ver bekend is dit de eerste studie waarin de incidentie en kenmerken bilaterale intervalkankers zijn onderzocht bij deelnemers aan een tweejaarlijks screeningsprogramma met behulp van mammografie. Aan deze studie werkten mee specialisten en onderzoekers van Catharina Ziekenhuis (Eindhoven), Maastricht University, IKNL en Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (Nijmegen). 
 

  • van Bommel RMG, Voogd AC, Nederend J, Setz-Pels W, Louwman MWJ, Strobbe LJ, Venderink D, Tjan-Heijnen VCG, Duijm LEM: ‘Incidence and tumour characteristics of bilateral and unilateral interval breast cancers at screening mammography’. Breast. 2018 Jan 3;38:101-106.

  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl 

Gerelateerd

Percentage lokaal recidieven na borstkankerchirurgie verder gedaald

Het percentage vrouwen dat binnen 5 jaar na een borstkankeroperatie te maken krijgt met een lokaal recidief is in Nederland laag en in de periode tussen 2003 en 2006 verder gedaald. Dat blijkt uit onderzoek van Margriet van der Heiden en Sabine Siesling (IKNL) en collega’s. Deze bevinding is volgens de onderzoekers relevant om de kwaliteit van de borstkankerzorg in Nederland in breder perspectief te plaatsen. De waarde van het 5-jaars lokaal-recidiefpercentage als indicator voor de zorgkwaliteit op ziekenhuisniveau is echter beperkt, omdat met deze indicator niet tijdig ziekenhuizen opgespoord kunnen worden met een te hoog recidiefpercentage. Mede omdat het aantal recidieven erg laag is, zodat er geen statistisch significante verschillen tussen ziekenhuizen gevonden kunnen worden.   

lees verder