Toename behandeling en overleving NSCLC; verschil met oudere patiënt blijft

Patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) krijgen steeds vaker een behandeling met curatieve intentie. Dit heeft tussen 1990 en 2014 geleid tot verbetering van de relatieve overleving. Deze trend was echter minder sterk zichtbaar bij oudere patiënten, zo blijkt uit onderzoek van Elisabeth Driessen (VieCuri MC) en collega’s met gegevens van ruim 187.000 patiënten uit de Nederlandse Kankerregistratie. De verschillen tussen jongere en oudere patiënten leek in de tijd kleiner te worden bij stadium I, maar bleef onveranderd bij stadium II en werden zelfs groter bij stadium III en IV ten nadele van ouderen. In toekomstige studies dient de focus daarom gericht te zijn op voorspellende factoren bij oudere patiënten met NSCLC.  

Het doel van deze studie was het beschrijven van trends in de tijd met betrekking tot verschillen bij de behandeling en relatieve overleving van jongere en oudere patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom. Alle patiënten gediagnosticeerd met pathologisch geverifieerd niet-kleincellig longcarcinoom tussen 1990-2014 werden opgenomen. De gebruikte data (n = 187.315) waren afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Behandeling en relatieve overleving (gecorrigeerd voor geslacht, histologie en behandeling) werden geanalyseerd volgens leeftijdsgroep (<70 jaar versus ≥ 70 jaar), stadium en per 5-jaarsperiode van diagnose.

Resultaten
De 5-jaars relatieve overleving steeg tussen 1990 en 2014 van 17% naar 22% bij jongere en van 12% naar 16% bij oudere patiënten. Het aandeel chirurgie steeg in de tijd bij oudere patiënten met stadium I niet-kleincellig longcarcinoom, daalde bij ouderen met stadium II en was stabiel -maar hoger- bij jongere patiënten. De verschillen in relatieve overleving tussen de leeftijdsgroepen met stadium I werd kleiner sinds 2000-2004, maar veranderde niet in de loop van de tijd voor patiënten met stadium II. 

Bij patiënten met stadium III en IV was in beide leeftijdscategorieën vanaf 2000-2004 een sterke toename te zien van chemoradiotherapie en chemotherapie, hoewel die toename aanzienlijk kleiner was bij ouderen. De relatieve 1-, 3- en 5-jaarsoverleving nam na verloop van tijd sterker toe bij de jongere groep patiënten, wat leidde tot grotere verschillen tussen de leeftijdsgroepen met stadium III of IV niet-kleincellig longcarcinoom.

Conclusies en aanbevelingen
Elisabeth Driessen en collega’s concluderen dat bij patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom in de periode 1990 – 2014 steeds meer behandelingen met curatieve intentie zijn te zien en verbetering van de relatieve overleving. Volgens de onderzoekers dienen toekomstige, prospectieve studies specifiek gericht te zijn op het vaststellen van voorspellende factoren voor het optimaliseren van de behandelkeuze met als einddoel een betere overleving van oudere patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom. 

Hoewel introductie van nieuwe behandelopties, zoals video-geassisteerde thoracale chirurgie en stereotactische ablatieve radiotherapie, de gestegen relatieve overleving kunnen verklaren, kan dit nog niet worden bevestigd voor met name oudere patiënten. Ook de inzet van chemoradiotherapie nam toe bij ouderen, maar bleef aanzienlijk lager in vergelijking met jongere patiënten, mede omdat de behandelopties bij kwetsbare patiënten beperkt blijven. 

Aan deze studie werkten mee specialisten en onderzoekers van VieCuri Medisch Centrum (Venlo), IKNL, Zuyderland Medisch Centrum (Heerlen), MAASTRO Clinic en Maastricht Universitair Medisch Centrum.
 

  • Driessen EJ, Aarts MJ, Bootsma GP, van Loon JG, Janssen-Heijnen ML.: ‘Trends in treatment and relative survival among Non-Small Cell Lung Cancer patients in the Netherlands (1990-2014): Disparities between younger and older patients.’ Lung Cancer. 2017 Jun;108:198-204.

  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl 

Gerelateerd

Verschillen in relatieve overleving lopen op tussen jong & oud met NSCLC

Patiënten met niet-kleincellige longkanker (NSCLC) kregen tussen 1990 en 2014 vaker een behandeling met curatieve intentie. Dit heeft tevens bijgedragen aan verbetering van de relatieve overleving. Deze ontwikkeling was minder duidelijk zichtbaar bij patiënten van 70 jaar en ouder, zo blijkt uit onderzoek van Lizzy Driessen (VieCuri Medisch Centrum, Venlo) en collega’s. De verschillen tussen de leeftijdsgroepen (tot 70 jaar versus 70 jaar en ouder) leken in de loop der tijd kleiner te zijn geworden bij stadium I, maar bleven onveranderd voor patiënten met stadium II. Bij stadium III en IV liepen de uitkomsten verder uiteen, vooral ten nadele van ouderen.

lees verder