Overleving na dikkedarm- en borstkanker verbeterd tussen ’03-‘12 in Nederland

De overleving van patiënten met dikkedarm- en borstkanker is tussen 2003 en 2012 in Nederland verbeterd, maar er zijn wel opmerkelijke verschillen te zien tussen oudere en jongere patiënten, met name bij borstkankerpatiënten. Dat concluderen Doris van Abbema (Universiteit Maastricht & Amsterdam) en collega’s. Bij oudere vrouwen met borstkanker is een opvallende toename te zien van endocriene therapieën en daling van het aandeel operaties. De onderzoekers vragen zich af of de richtlijnen bij deze groep patiënten consistent worden gevolgd. De gestegen overleving bij ouderen met dikkedarmkanker is vooral toe te schrijven aan ruimere inzet van adjuvante chemotherapie en verbeterde preoperatieve behandeling en chirurgie.

In eerdere studies is een aanzienlijke verbetering aangetoond in de overlevingskansen van patiënten met kanker in de laatste twee decennia. Echter, bij oudere patiënten worden in vergelijking met jongere patiënten lagere overlevingskansen gerapporteerd. In deze population-based studie zijn de behandelpatronen en algehele overleving geanalyseerd van patiënten met borstkanker en dikkedarmkanker.

Opzet

De onderzoekers selecteerden gegevens van alle patiënten met stadium I-III borstkanker en dikkedarmkanker die tussen 2003 en 2012 zijn gediagnosticeerd. Alle data waren afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Vervolgens werden trends in diverse behandeltypen geëvalueerd met de Cochran-Armitage-test en eveneens trends in de algehele 5-jaarsoverleving. Met behulp van de Ederer II-methode werd de relatieve overleving na vijf jaar berekend. Het relatieve risico op overlijden werd geschat met behulp van multivariate lineaire regressie.

Resultaten

Tijdens de studieperiode kreeg 98% van de borstkankerpatiënten tot 75 jaar een chirurgische behandeling. Bij patiënten met borstkanker van 75 jaar en ouder kreeg in 2003 79,3% een chirurgische behandeling, terwijl dat in 2012 was gedaald naar 66,7% (p <0,001). De meeste patiënten met dikkedarmkanker werden geopereerd, ongeacht leeftijd of tijdsperiode. Patiënten met endeldarmkanker van 75 jaar en ouder kregen in vergelijking met jongere patiënten minder vaak chirurgie of radiotherapie gedurende de gehele onderzoeksperiode. De inzet van adjuvante chemotherapie nam in de loop van de tijd toe bij patiënten met dikkedarm- en borstkanker, behalve bij borstkankerpatiënten van 75 jaar en ouder.

De relatieve 5-jaarsoverleving verbeterde alleen bij jongere patiënten met borstkanker (gecorrigeerd relatief overlijdensrisico 0,95 - 0,96 per stijgend kalenderjaar) en deze verbetering was kleiner voor oudere borstkankerpatiënten. Bij patiënten in de leeftijd van 65-74 jaar was het gecorrigeerd relatief overlijdensrisico 1,00 (95% betrouwbaarheidsinterval 0,98 - 1,02) respectievelijk 1,00 bij patiënten van 75 jaar en ouder (95% betrouwbaarheidsinterval 0,98-1,01). Voor patiënten met dikkedarmkanker verbeterde de relatieve 5-jaarsoverleving voor alle leeftijdsgroepen met een gecorrigeerd relatief overlijdensrisico van gemiddeld 0,95 per kalenderjaar.

Conclusie

Doris van Abbema en collega’s concluderen dat de waargenomen overlevingstrends suggereren dat er bij patiënten met borst- en dikkedarmkanker tussen 2003 en 2012 vooruitgang is geboekt bij de behandeling en overleving van kanker, maar dat er wel opmerkelijke verschillen blijven bestaan in de overleving tussen oudere en jongere patiënten, met name bij borstkankerpatiënten. De toegenomen algehele en relatieve 5-jaarsoverleving bij oudere patiënten met dikkedarmkanker in de leeftijdscategorie 65-74 jaar kan voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan toegenomen inzet van adjuvante chemotherapie en verbeterde preoperatieve behandeling en chirurgie.

Nabeschouwing

De waargenomen verschillen in de behandeling van oudere patiënten met borstkanker zouden volgens de onderzoekers kunnen duiden op beperkingen van de behandeling of terughoudendheid bij de behandeling van oudere vrouwen. Opvallend is de afname van het aandeel operaties in deze groep patiënten en toename van het aandeel endocriene therapieën. Dit is een bevestiging van eerdere studies waarin is aangetoond dat het aandeel endocriene behandelingen bij oudere patiënten met borstkanker in Nederland hoger is vergeleken met andere Europese landen.

Uit meta-analyses van de EUROCARE breast cancer group blijkt dat borstkankerpatiënten die chirurgie met adjuvante endocriene therapie kregen een significant betere overleving en significant betere ziektevrije overleving hebben. In Nederlandse richtlijnen staat de aanbeveling om patiënten met chirurgisch te behandelen borstkanker, ongeacht hun leeftijd, te opereren en geen endocriene therapie te geven. De International Society of Geriatric Oncology (SIOG) adviseert primaire endocriene therapie alleen bij borstkankerpatiënten met een levensverwachting van minder dan drie jaar, patiënten die niet fit genoeg zijn of patiënten die een operatie weigeren. De onderzoekers vragen zich af deze aanbevelingen consistent worden gevolgd, aangezien een groot deel van de oudere patiënten met borstkanker in Nederland primair wordt behandeld met endocriene therapie.

Gerelateerd

Overleving vrouwen (80+) met HR+ borstkanker slechter bij afzien van chirurgie

Overleving vrouwen (80+) met HR+ borstkanker slechter bij afzien van chirurgie

Bij niet-kwetsbare vrouwen van 80 jaar en ouder met stadium I-II hormoonreceptorpositieve (HR+) borstkanker hangt afzien van chirurgie samen met een slechtere overleving, zo blijkt uit onderzoek van Anna de Boer (LUMC) en collega’s. Op basis van deze bevinding zou hormoontherapie bij oudere patiënten met een levensverwachting tot vijf jaar gerechtvaardigd kunnen zijn. Maar gelet op mogelijke neveneffecten zijn er ook redenen om bij deze patiënten terughoudend te zijn met hormoontherapie als alternatief voor chirurgie.

lees verder

Grote verschillen in uitzaaiingspatronen stadium IV inflammatoire borstkanker

Bij patiënten met stadium IV inflammatoire borstkanker worden belangrijke verschillen waargenomen in uitzaaiingspatronen en algehele overleving samenhangend met de verschillende subtypen (HR/HER2-status) van deze ziekte. Dat concluderen Dominique van Uden (Radboudumc) en collega’s in een publicatie in Breast Cancer Research and Treatment. Volgens de onderzoekers heeft dit inzicht belangrijke consequenties voor het adviseren van patiënten over hun prognose en eventuele behandelopties. De studie onderstreept tevens de mogelijkheid tot gerichtere stadiëring afgestemd op het subtype.

lees verder