Kans op complicaties groter na longoperatie op vrijdag

De kans dat patiënten complicaties krijgen na een longkankeroperatie op vrijdag is aanzienlijk groter dan op andere dagen. Het aantal operaties dat een ziekenhuis jaarlijks verricht, speelt hierbij geen rol, zo blijkt uit onderzoek van Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). ‘De afgelopen jaren is de nadruk gelegd op concentratie van complexe kankerchirurgie onder het motto ‘practice makes perfect’. Maar in dit geval blijkt de oorzaak eerder bij de organisatie van de postoperatieve zorg te liggen dan bij de vaardigheden van de chirurg’, zegt IKNL-onderzoeker dr. Ronald Damhuis.

De studie van Ronald Damhuis en collega’s laat zien dat 13% van alle longkankeroperaties in Nederland op een vrijdag plaatsvindt. De kans op complicaties na een operatie op vrijdag bedroeg 4%. Dat is significant hoger dan het gemiddelde van 2,5% op andere doordeweekse dagen. ‘Een vergelijkbaar resultaat is eerder in Engeland gerapporteerd. Daar werd een relatie gelegd met de ziekenhuisbezetting in het weekend. Wij vermoeden dat dit in Nederland ook een rol speelt. Maar hierover bestaan nog geen concrete data.’ 

Aantal operaties geen factor
De bevindingen van deze studie zijn recent gepubliceerd in de European Journal for Cardio-thoracic Surgery en afgelopen juni besproken tijdens een Europees congres voor longchirurgen. Ook daar werd een verband gelegd met de kwaliteit van de postoperatieve zorg in het weekend. De afgelopen jaren hebben de beroepsgroepen en de Inspectie voor de Gezondheidszorg normen ingevoerd voor complexe kankeroperaties. Voor longchirurgie betekent dit dat een ziekenhuis op dit moment minimaal 20 longoperaties per jaar moet uitvoeren. ‘Tegen de verwachting in speelt het volume van het aantal uitgevoerde operaties per ziekenhuis in dit geval geen factor van betekenis’, aldus Ronald Damhuis.

Het gevolg van invoering van de IGZ-norm was wel dat veel ziekenhuizen zijn gestopt met longchirurgie. Dit onderzoek laat zien dat de sterfte na een longkankeroperatie vergelijkbaar was tussen kleine, middelgrote en grote ziekenhuizen en dat er geen relatie is gevonden tussen het overlijdensrisico en het aantal operaties. Ook regionaal werden er geen verschillen gevonden tussen de ziekenhuizen. De onderzoekers vonden wel dat het risico op complicaties duidelijk hoger was bij oudere patiënten met ‘weinig restcapaciteit’ en bij verwijdering van de rechter long. Waarom er meer complicaties optreden na verwijdering van een rechter long, is een onopgeloste vraag.

Risico vergelijkbaar met andere landen
De studie werd uitgevoerd aan de hand van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR), een databank voor wetenschappelijk onderzoek waarin IKNL de gegevens opslaat van alle oncologische patiënten in Nederland. In totaal werden de gegevens van bijna 10.000 patiënten onderzocht die tussen 2005 en 2010 een operatie ondergingen in verband met longkanker. De gevonden resultaten zijn vergelijkbaar met de uitkomsten in andere Europese landen.

In Nederland daalde het operatierisico tussen 2005 en 2010 van 3,3% naar 2,1%. Het algemeen overlijdensrisico bedroeg 2,7%. De prestaties van de chirurgen verbeterden verder in de tijd. Volgens Ronald Damhuis en collega’s kwam er in die periode meer aandacht voor de accreditatie van longchirurgen, maar het knelpunt lijkt eerder bij de postoperatieve zorg te liggen dan bij de vaardigheden van de chirurg. ‘Het operatievolume speelde volgens onze analyses geen rol van betekenis.’

Organisatie nazorg tijdens het weekend verdient meer aandacht
De kans dat het staken van longchirurgie in kleinere ziekenhuizen heeft geleid tot een daling van het operatierisico noemt Ronald Damhuis ‘onwaarschijnlijk’. ‘De echte concentratie van longkankerchirurgie trad pas op na 2010. Ons vermoeden is dat je vooral complicaties ziet één tot twee dagen na de operatie. Daardoor ontstaat het gevaar dat kleine complicaties pas op maandag worden geconstateerd en dat deze dan inmiddels zijn toegenomen tot een grote complicatie. In de chirurgische literatuur noemen we dat ‘failure to rescue’.’

Het stoppen met longchirurgie op vrijdag lijkt Ronald Damhuis geen optie. Chirurgen kunnen gegronde redenen hebben om op vrijdag te opereren, zoals beschikbare tijd in de operatiekamer. Wel is het volgens hem essentieel om ook in het weekend te zorgen voor een adequate bezetting aan ziekenhuispersoneel om goede postoperatieve zorg te kunnen garanderen. ‘Ik ken longchirurgen die alleen op vrijdag opereren, wanneer ze zelf weekenddienst hebben. In de huidige richtlijn staat overigens dat een ziekenhuis minimaal twee longchirurgen moet hebben.’

Voor de patiënt blijft het overigens lastig om de kwaliteit van de geboden zorg te herkennen. ‘Kwaliteit is nog steeds moeilijk zichtbaar voor de patiënt’, aldus dr. Ronald Damhuis. ‘Op internet vind je tot dusver alleen informatie over het operatievolume.’

  • Ronald A. Damhuis; Alex P. Maat; Peter W. Plaisier: ‘Performance indicators for lung cancer surgery in the Netherlands’. European Journal of Cardio-Thoracic Surgery 2014.
Gerelateerd

Oudere patiënt met NSCLC krijgt vaker radiotherapie of ondersteunende zorg

Oudere patiënten (75+) met stadium I-II niet-kleincellige longkanker (NSCLC) krijgen in vergelijking met jongere patiënten (65 tot 74 jaar) minder vaak een chirurgische behandeling, maar juist vaker stereotactische radiotherapie, conventionele radiotherapie of de beste ondersteunende zorg. Elisabeth Driessen (VieCuri MC) en collega’s tonen met behulp van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) aan dat de langetermijnsoverleving na chirurgie superieur is ten opzichte van stereotactische radiotherapie na correctie voor prognostische factoren. Echter, ook dan blijft de algehele overleving van patiënten van 75 jaar of ouder slechter vergeleken met jongere patiënten.

lees verder

Variatie in opnameduur in Nederlandse ziekenhuizen na longkankerchirurgie

Er bestaat in Nederland variatie tussen ziekenhuizen wat betreft opnameduur van patiënten na een longkankeroperatie. Gemiddeld gaat het hierbij om een opname die 1,5 dag korter tot bijna 2,5 dag langer kan zijn. Een korter verblijf hing niet samen met een hogere 30- of 90-dagen mortaliteit. Volgens chirurg Erik von Meyenfeldt (Albert Schweitzer Ziekenhuis) en collega’s is de variatie in opnameduur grotendeels toe te schrijven aan verschillen in peri-operatieve zorg. Deze zorgprotocollen kunnen geoptimaliseerd worden door evaluatie en overname van best practices. De onderzoekers benadrukken dat een korte opname geen doel op zichzelf mag zijn, maar het resultaat is van verbeterde peri-operatieve zorg. 

lees verder