Chemotherapie bij alvleesklierkanker toegenomen met grote variaties in Europa

De inzet van chemotherapie bij patiënten met alvleesklierkanker is tussen 2003 en 2014 toegenomen in Europa en de VS, vooral bij chirurgische behandeling. Doch, het aandeel patiënten dat chemotherapie kreeg was meestal laag en bovendien heterogeen bij zowel chirurgisch als niet-chirurgisch behandelde patiënten in Europa. Dat concluderen Lei Huang (Deutsches Krebsforschungszentrum, Universität Heidelberg) en collega’s in de International Journal of Cancer. Volgens de onderzoekers onderstrepen deze bevindingen de behoefte aan standaardisatie van de behandeling van alvleesklierkanker. Het voordeel van radiotherapie blijft controversieel en vraagt om aanvullend onderzoek. 

De inzet van chemotherapie bij de behandeling van alvleesklierkanker is onderzocht en breed geaccepteerd, terwijl het gebruik van radiotherapie onduidelijk is. In deze grote, internationale population-based studie is onderzoek gedaan naar chemotherapie en radiotherapie in de klinische praktijk bij chirurgisch en niet-chirurgisch behandelde patiënten met alvleesklierkanker. De onderzoekers maakten hiervoor gebruik van gegevens uit de periode 2003-2014 afkomstig van een groot aantal Europese (nationale) kankerregistraties, waaronder de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en de US Surveillance, Epidemiology, and End Results (SEER-18) database.

Trends in de tijd en geografische variaties ten aanzien van de inzet van chemotherapie en radiotherapie werden gekwantificeerd met behulp van leeftijdsstandaardisatie om de vergelijkbaarheid te vergroten. De samenhang tussen beide behandelingen en demografische en klinische kenmerken werd geëvalueerd met multivariabele, logistische regressie. In totaal analyseerden de onderzoekers gegevens van 141.533 patiënten met alvleesklierkanker. 

Resultaten

Uit de analyses blijkt dat in de periode 2003-2005 tot 2012-2014 het aandeel behandelingen met chemotherapie in de meeste landen groter was bij chirurgisch behandelde patiënten, terwijl het aandeel radiotherapieën bij voornoemde groep patiënten over het algemeen laag was met een lichte daling of het ontbreken van een duidelijke trend. 

Tussen 2012-2014 ontving 13% (Estland) tot 62% (België) van de chirurgisch behandelde patiënten chemotherapie tegenover 17% (Slovenië) tot 57% (België) van niet-chirurgisch behandelde patiënten. Radiotherapie werd in Nederland aan 2,6% van de chirurgisch behandelde patiënten met alvleesklierkanker gegeven en 33% in de VS. Bij niet-chirurgisch behandelde patiënten was dat 1% in de VS en 6% in België. 

De onderzoekers zagen sterke trends over de tijd en geografische variaties bij de inzet van chemo- en radiotherapie. Ook de patronen en mate van samenhang van behandelingen met verschillende demografische en klinische factoren verschilde aanzienlijk en varieerde sterk van land tot land en tussen chirurgisch en niet-chirurgisch behandelde patiënten.

Conclusies en aanbevelingen

Lei Huang en collega’s concluderen dat de inzet van chemotherapie, in tegenstelling tot radiotherapie, bij patiënten met alvleesklierkanker het afgelopen decennium in Europa en de VS is toegenomen, in het bijzonder bij chirurgisch behandelde patiënten. Hoewel de rol van chemotherapie reeds lang gevestigd is, bleef de toediening van deze behandeling erg heterogeen en meestal laag bij zowel chirurgisch als niet-chirurgisch behandelde patiënten in Europa met grote variaties van land tot land. 

Deze bevindingen onderstrepen volgens de onderzoekers de behoefte aan (verdere) standaardisatie van de behandeling van alvleesklierkanker ter verbetering van de zorg voor deze patiënten. Het voordeel van radiotherapie bij behandeling van alvleesklierkanker blijft controversieel en wordt om die reden in de klinische praktijk zelden toegepast. De onderzoekers doen de aanbeveling de inzet van radiotherapie nader te onderzoeken via gerandomiseerde, klinische trials.

Gerelateerd

Variatie in chemotherapie gedaald bij uitgezaaid pancreasadenocarcinoom

Variatie in chemotherapie gedaald bij uitgezaaid pancreasadenocarcinoom

Hoewel de variatie in het voorschrijven van FOLFIRINOX en nab-paclitaxel plus gemcitabine aan patiënten met gemetastaseerd ductaal pancreasadenocarcinoom in Nederland is gedaald, kreeg tussen 2007 en 2016 nog circa een kwart van de patiënten monotherapie met gemcitabine. Dat tonen Anouk Latenstein (Amsterdam UMC, locatie AMC) en collega’s aan met behulp van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Zij pleiten voor een meer gestructureerde aanpak bij de implementatie van nieuwe middelen.

lees verder

Pancreasadenocarcinoom: toename incidentie, geringe verbetering overleving

Pancreasadenocarcinoom: toename incidentie, geringe verbetering overleving

De incidentie van ductaal pancreasadenocarcinoom is tussen 1997 en 2016 toegenomen in Nederland. In deze periode verdubbelde het aandeel resecties, nam de sterfte na resectie af, en steeg het aandeel patiënten dat adjuvante of palliatieve chemotherapie kreeg. Echter, doordat een meerderheid van de patiënten uitsluitend ondersteunende zorg ontving, was de algehele overlevingsverbetering met circa drie weken verwaarloosbaar klein, aldus Anouk Latenstein (Amsterdam UMC) en collega’s.

lees verder