Correlatie tussen volledige tumorrespons en afwezigheid okselmetastasen

Het bereiken van een volledige pathologische respons in de borst na neoadjuvante systemische therapie hangt sterk samen met de afwezigheid van metastasen in de okselklieren ten tijde van de operatie bij patiënten met klinisch negatieve lymfeklieren; vooral bij de subtypes ER+HER2+, ER-HER2+ en triple negatieve borstkanker. Dat blijkt uit onderzoek van Sanaz Samiei (Maastricht UMC) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie. De uitkomsten van deze studie bieden aanknopingspunten voor toekomstig klinisch onderzoek om na te gaan of okselklieroperaties in de toekomst veilig achterwege kunnen blijven bij geselecteerde subgroepen patiënten.  

In deze studie is onderzocht of een volledige pathologische respons (pCR) in de borst samenhangt met de afwezigheid van metastasen in de okselklieren bij definitieve vaststelling van het pathologisch stadium ten tijde van de operatie bij patiënten met verschillende subtypes borstkanker die behandeld zijn met neoadjuvante, systemische therapie.

Achtergrond en opzet

Het aandeel patiënten met een pCR is het afgelopen decennium verbeterd sinds de introductie van effectievere, systemische behandelschema’s. Veelbelovende uitkomsten van haalbaarheidsstudies, waarin een pCR in de borst na neoadjuvante, systemische therapie werd beoordeeld met beeldgestuurde afname van weefselmonsters, roept de vraag op of borstchirurgie een overbodige procedure gaat worden? Bij deze evaluatie zou tevens de noodzaak van een okseloperatie heroverwogen moeten worden.

Voor deze studie selecteerden de onderzoekers patiënten uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) met de diagnose cT1-3N0-1 borstkanker die tussen 2010 en 2016 neoadjuvante, systemische therapie kregen, gevolgd door een operatie. Patiënten met klinisch negatieve okselklieren (cN0) kregen een schildwachtklierprocedure (+/- okselkliertoilet) tijdens de operatie, terwijl patiënten met klinisch positieve klieren (cN1) een okselkliertoilet kregen. De onderzoekers vergeleken de patiënten op basis van de respons van de primaire tumor in samenhang met de status van de okselklieren. Multivariabele analyses werden uitgevoerd om de klinisch-pathologische variabelen te bepalen die correleren met het pathologische okselklierstadium.

Resultaten

In totaal werden 4.084 patiënten opgenomen in de analyses, van wie 986 patiënten (24%) een pCR in de borst bereikten. Van de patiënten met cN0 en een pCR in de borst had 98% (432/442) inderdaad geen pathologisch bevestigde, positieve okselklieren ten tijde van de operatie, terwijl 72% (882/1.232) van de patiënten zonder pCR in de borst geen pathologische positieve okselklieren had. Bij patiënten met cN1 en een pCR had 45% (245/544) uiteindelijk geen positieve okselklieren meer ten tijde van de operatie, terwijl  9,4% (176/1866) van de patiënten zonder pCR uiteindelijk geen positieve okselklieren meer had ten tijde van de operatie.

De kans op afwezigheid van metastasen in de okselklieren ten tijde van de operatie nam af bij patiënten met klinisch stadium T3 (risico 0,59), bij patiënten met klinisch positieve lymfeklieren (risico 0,03) en bij patiënten met subtype ER+HER2- (risico 0,30). De kans op afwezigheid van metastasen in de okselklieren was verhoogd bij patiënten met een volledige pathologische respons in de borst (risico 4,53).

Conclusie en nabeschouwing

Sanaz Samiei en collega’s concluderen dat het bereiken van een volledige pathologische respons in de borst na neoadjuvante, systemische therapie sterk gecorreleerd is met de afwezigheid van metastasen in de okselklieren bij vaststelling van het pathologisch stadium bij patiënten met klinisch negatieve okselklieren (cN0), vooral bij patiënten met subtypes ER+HER2+ en ER-HER2+ en triple negatieve borstkanker. Dit impliceert dat het risico op het missen van patiënten met okselkliermetastasen in deze geselecteerde subgroepen hoogst onwaarschijnlijk is. Deze uitkomsten bieden aanknopingspunten en data voor toekomstig klinisch onderzoek, waarin wordt nagegaan of okselklieroperaties veilig achterwege kunnen blijven in geselecteerde subgroepen, wanneer uit bijvoorbeeld beeldgestuurde weefselafname blijkt dat een volledige pathologische respons in de borst is bereikt.

Onderhavige studie is gebaseerd op gegevens van patiënten uit alle ziekenhuizen in Nederland, zodat de resultaten generaliseerbaar zijn. Toch wijzen de onderzoekers op een aantal mogelijke beperkingen. Vanwege de retrospectieve opzet, kan er geen garantie worden gegeven dat alle patiënten die neoadjuvante, systemische therapie ontvingen deze behandeling voltooiden en dus voldoende werden behandeld. Dit kan bijgedragen hebben aan het niet bereiken van een volledige pathologische respons in de borst en/of okselklieren. Daarnaast kan het uitsluiten van patiënten van wie niet alle gegevens beschikbaar waren, zoals een onbekend pathologisch tumorstadium of subtype borstkanker, de resultaten hebben beïnvloed.
 

Gerelateerd nieuws

Invloed 70-genenprofiel op gebruik chemotherapie bij vroege borstkanker

Het gebruik van chemotherapie is bij patiënten met vroeg stadium hormoonreceptorgevoelige borstkanker tussen 2013 - 2016 aanzienlijk gedaald, terwijl de inzet van genexpressieprofielen toenam. Dat blijkt uit een studie van Julia van Steenhoven (Diakonessenhuis, UMCU) en collega’s. De daling in chemotherapie trad op in een periode dat er geen wijziging plaatsvond in de landelijke richtlijn Borstkanker (2012). In internationale richtlijnen werd echter al voorzichtig geadviseerd om minder chemotherapie te geven aan geselecteerde patiënten (ER+/HER2-). Deze studie weerspiegelt de toenemende terughoudendheid tot het geven van aanvullende chemotherapie aan geselecteerde patiënten met een vroeg stadium van borstkanker. 

lees verder

Proefschrift Kelly de Ligt: Borstkankerzorg beter afstemmen op behoeften patiënt

Er bestaat in Nederland aanzienlijke variatie tussen ziekenhuizen als het gaat om de behandeling voor patiënten met borstkanker. Voorbeelden zijn verschillen in timing van chemotherapie (voor of na de operatie) en variatie in het bespreken van de mogelijkheid van een (directe) borstreconstructie. Deze variatie is niet geheel te verklaren door ziektekenmerken. Kelly de Ligt (IKNL, Universiteit Twente) onderzocht voor haar proefschrift of deze variatie het gevolg is van individuele voorkeuren van de patiënt of aanwijzingen bevat voor verbetering van de kwaliteit van zorg? Met name de informatievoorziening en gedeelde besluitvorming is vatbaar voor verbetering om de borstkankerzorg beter aan te laten sluiten op de persoonlijke wensen en behoeften van patiënten.

lees verder