Rol CRS + HIPEC bij peritoneaal gemetastaseerde dunnedarmkanker

In geselecteerde patiënten met dunnedarmkanker en peritoneale metastasen bij wie een volledige, macroscopische resectie kan worden bereikt, is met behulp van cytoreductieve chirurgie en hypertherme intraperitoneale chemotherapie (CRS + HIPEC) een overleving haalbaar die vergelijkbaar is met patiënten met dikkedarmkanker en peritoneale metastasen. Die conclusie staat te lezen in een publicatie van drs. Thijs van Oudheusden (Catharina Ziekenhuis), prof. dr. Valery Lemmens (IKNL) en collega’s in Oncology/Genetics. Volgens de onderzoekers is verder onderzoek nodig naar de rol van adjuvante chemotherapie bij deze patiënten.

Cytoreductieve chirurgie en hypertherme intraperitoneale chemotherapie (CRS + HIPEC) wordt momenteel beschouwd als de standaard voor de behandeling van pseudomyxoma peritonei, mesothelioom en peritoneale metastasen (PM) bij patiënten met colorectale kanker. Gesuggereerd wordt dat CRS + HIPEC ook een potentiële behandeloptie kan zijn voor peritoneale metastasen bij patiënten met de veel zeldzamer voorkomende dunnedarmkanker. In deze studie zijn om die reden de resultaten onderzocht van CRS + HIPEC in alle HIPEC-centra in Nederland.

Populatie en onderzoeksresultaten
De onderzoekers verzamelden data van alle patiënten met dunnedarmkanker en peritoneale metastasen die geselecteerd waren om CRS + HIPEC te ondergaan tussen januari 2005 en juli 2014. De gebruikte gegevens waren afkomstig van de vier tertiaire referentiecentra voor peritoneale maligniteiten in Nederland. Tevens werden de primaire tumorkenmerken, operatieve gegevens en de overlevingsresultaten verzameld.

Zestien van de 19 patiënten (84,2%) die exploratieve laparotomie ondergingen, kregen CRS + HIPEC. Van deze patiënten was 81,3% vrouw en werden de primaire tumoren voornamelijk (50%) in het ileum gevonden. Bij 93,8% van de patiënten werd een volledige, macroscopische resectie behaald. Ernstige bijwerkingen die re-interventie noodzakelijk maakten, vonden plaats bij 25% van de patiënten. Er werd geen sterfte in het ziekenhuis waargenomen. Terugkeer van de ziekte werd waargenomen bij 50% van de patiënten. De mediane overleving na CRS + HIPEC was 31 maanden.

Vergelijkbare overleving
Thijs van Oudheusden en collega’s concluderen dat in een geselecteerde groep patiënten met dunnedarmkanker bij wie een volledige, macroscopische resectie kan worden bereikt, een vergelijkbare overleving haalbaar is als bij patiënten met dikkedarmkanker met peritoneale metastasen, en met een aanvaardbare morbiditeit. De rol van adjuvante chemotherapie behoeft volgens de onderzoekers nader onderzoek. Gelet op het zeldzame karakter van deze ziekte wordt aanbevolen om deze patiënten te behandelen in centra met ervaring met peritoneale aandoeningen.

Gerelateerd

Effect toevoegen bevacizumab bij uitgezaaide dunnedarmkanker lijkt beperkt

Het toevoegen van bevacizumab aan de eerstelijns, palliatieve behandeling van patiënten met gemetastaseerd adenocarcinoom van de dunnedarm heeft slechts een beperkt effect (circa twee maanden) op de algehele overleving van deze patiënten. Dat concluderen Laura Legué (Catharina Ziekenhuis) en collega’s in een studie met behulp van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Om de overlevingskansen van deze patiënten te verbeteren zou toekomstig onderzoek gericht moeten zijn op het identificeren van een subgroep van patiënten die mogelijk baat heeft bij therapie met VEGF-remmers.

lees verder

Onderzoek chemotherapie bij synchroon gemetastaseerde dunnedarmkanker

IKNL is in samenwerking met het Catharina Ziekenhuis een population-based onderzoek gestart naar de chemotherapeutische behandeling van patiënten met synchroon gemetastaseerd adenocarcinoom van de dunnedarm. Doel is inzicht te krijgen in de verschillende systemische en doelgerichte therapieën die tussen 2007-2016 in Nederland zijn gebruikt bij de behandeling van deze patiënten. De studie wordt uitgevoerd door Laura Legué (Catharina ziekenhuis, IKNL) onder leiding van dr. Geert-Jan Creemers, dr. Felice van Erning en prof. dr. Valery Lemmens. Het onderzoek is mede mogelijk dankzij een subsidie van het Catharina Onderzoekfonds.

lees verder